83. De beide
reeds genoemde postulaten brengen een derde mee: er moet een wijsbegeerte van echt
metafysische draagwijdte zijn, dat wil zeggen: die in staat is boven de
empirische gegevens uit te stijgen om bij haar zoeken naar de waarheid iets
absoluuts te bereiken, iets ultiems en fundamenteels. Dit postulaat geldt
gelijkelijk voor wijsheids- en analytische kennis; en in het bijzonder dient
het om het zedelijk goede te kennen, dat zijn diepste grond heeft in het
Hoogste Goed, God zelf. Ik wil hier niet spreken over metafysica in de zin van
een speciale school of een bijzondere denkrichting. Ik wil alleen bevestigen
dat de werkelijkheid en de waarheid boven het feitelijke en het empirische
uitstijgen. Bovendien wil ik het vermogen van de mens erkennen, deze
transcendente en metafysische dimensie werkelijk, zij het op onvolkomen en
analoge wijze, te kennen. Zo begrepen mag de metafysica niet als alternatief
voor de antropologie beschouwd worden, aangezien het juist de metafysica is die
het mogelijk maakt om het begrip van de menselijke waardigheid een grondslag te
geven. Op een speciale manier vormt de persoon een bevoorrechte plaat voor de
ontmoeting met het zijn en dus met het metafysisch onderzoek.
Waar de mens ook maar een verwijzing
naar het absolute en transcendente ontdekt, opent zich de metafysische dimensie
van de werkelijkheid voor hem: in waarheid, in schoonheid, in zedelijke
waarden, in andere personen, in het zijn zelf, in God. We treffen een grote
uitdaging aan het einde van dit millennium, de overgang te voltrekken van fenomeen
naar fundament, een even noodzakelijke als dringend stap. We kunnen
onmogelijk halt houden bij de ervaring alleen; ook als deze de innerlijkheid
van de mens en zijn spiritualiteit uitdrukt en verduidelijkt, moet het
speculatieve denken het geestelijke midden en het dragende fundament bereiken. Een
wijsgerig denken dat elke metafysische opening afwees, zou daarom volkomen
ongeschikt zijn om bij het begrijpen van de openbaring als middelares te
functioneren. Het woord van God refereert voortdurend aan wat uitstijgt boven
de menselijke ervaring en zelfs diens denken; maar dit “mysterie” zou niet
geopenbaard kunnen worden, en de theologie zou het niet op enigerlei wijze
begrijpbaar kunnen maken102, als de menselijke kennis strikt
beperkt was tot de wereld van de zintuiglijke waarneming. Aldus speelt de
metafysica een essentiële bemiddelende rol bij het theologisch onderzoek. Een
theologie zonder een metafysische horizon zou niet in staat zijn, om verder te
gaan dan de analyse van de religieuze ervaring; bovendien zou zij het de intellectus
fidei onmogelijk maken, de universele en transcendente waarde van de
geopenbaarde waarheid omvattend uit te drukken.
Als ik zo sterk het metafysische
element onderstreep, dan is dat omdat ik ervan overtuigd ben dat dit de te
nemen weg is om de crisissituatie te overwinnen die tegenwoordig grote delen
van de wijsbegeerte in haar greep heeft, en om aldus verschillende in onze
samenleving wijdverbreide verkeerde gedragswijzen te corrigeren.
|