|
92.
Wat het begrip van de openbaring betreft heeft de theologie altijd op verschillende
historische momenten moeten antwoorden op de vragen van verschillende culturen,
om dan de inhoud van het geloof te bemiddelen voor die culturen op een
samenhangende en begripsmatig heldere wijze. Ook vandaag heeft zij een dubbele
opgave. Want enerzijds moet zij de verplichting nakomen, die Vaticanum II haar
destijds oplegde: vernieuwing van haar methoden met het oog op een effectievere
dienst aan de evangelisering. Zou men in dit verband niet denken aan de woorden van Paus Johannes XXIII
bij de opening van het concilie? Hij zei toen: “Het is nodig dat men tegemoet
komt aan de levende verwachting van hen die waarlijk de christelijke,
katholieke en apostolische godsdienst liefhebben, en dat deze leer op een
bredere en diepere wijze bekend wordt; het is nodig dat de mensen afzonderlijk
beter onderwezen en gevormd worden; het is nodig dat de zekere en
onveranderlijke leer, waaraan men zich getrouw dient te houden, verdiept en
gepresenteerd wordt op een wijze die overeenkomt met de behoeften van onze
tijd”. 107
Anderzijds moet de theologie de ogen
richten op de laatste waarheid, die haar met de openbaring wordt toevertrouwd,
zonder zich tevreden te stellen met een verblijf in tussenstadia. De theoloog
doet er goed aan zich te herinneren, dat zijn arbeid “overeenkomt met de
dynamiek die in het geloof zelf woont” en dat het eigenlijke object van zijn
arbeid “de Waarheid, namelijk de levende God en zijn in Jezus Christus
geopenbaarde heilsplan” is. 108
Deze taak, die in eerste instantie de
theologie aangaat, daagt tegelijkertijd de wijsbegeerte uit. De veelheid van
problemen die zich tegenwoordig opdringen, vraagt inderdaad om een
gemeenschappelijke, zij het ook met verschillende methoden doorgevoerde arbeid,
opdat de waarheid weer gekend en tot uitdrukking wordt gebracht. De Waarheid,
die Christus is, legt zichzelf op als een universele autoriteit die zowel de
theologie alsook de filosofie leidt, aanspoort en doet groeien (vgl. Ef 4,15).
Het mogelijk achten een universeel
geldige waarheid te kennen is geenszins een aanmoediging tot intolerantie;
integendeel, het is de essentiële voorwaarde voor een oprechte en
authentieke dialoog tussen personen. Alleen op deze basis is het mogelijk om de
scheidende onenigheden te overwinnen en gezamenlijk de weg in te slaan naar de
hele, ongedeelde waarheid, terwijl we die paden volgen die alleen de Geest van
de opgestane Heer kent. 109
Op dit punt wil ik de specifieke
vorm aangeven die de roep om eenheid thans aanneemt, gegeven de actuele taak van
de theologie.
|