94. Een eerste
problematisch aspect vormt de verhouding tussen betekenis en waarheid. Zoals
iedere andere tekst brengen de bronnen die de theologie interpreteert
allereerst een betekenis over die opgepakt en uitgelegd moet worden. Nu
presenteert die betekenis zich als de waarheid over God, die door God zelf
middels de heilige tekst meegedeeld wordt. Zo belichaamt de
menselijke taal de taal van God, die door de wonderbare “mede-nederdaling” die
de logica van de menswording weerspiegelt, zijn waarheid meedeelt. 110
De theoloog moet zich dus bij de uitleg van de bronnen van de openbaring de
vraag stellen, wat de diepe en onvervalste waarheid is, die de teksten willen
meedelen, zij het binnen de grenzen van de taal.
Wat de bijbelse teksten en in het
bijzonder de evangelies betreft, is hun waarheid zeker niet beperkt tot de
vertelling van eenvoudige, historische gebeurtenissen of de onthulling van
neutrale feiten, zoals het historicistische positivisme graag zou willen111.
Integendeel, deze teksten berichten van gebeurtenissen waarvan de waarheid
achter het gewone historische gebeuren ligt: ze ligt in hun betekenis in
en voor de heilsgeschiedenis. Deze waarheid wordt volledig uitgewerkt in
de voortdurende lezing door de Kerk van deze teksten door de eeuwen heen, een
lezing die hun oorspronkelijk betekenis intact laat. Er bestaat daarom een
dringende behoefte om de betrekking tussen feit en betekenis, een betrekking
die de specifieke zin van de geschiedenis vormt, ook vanuit het wijsgerige
standpunt te onderzoeken.
|