112 “Het is duidelijk dat de Kerk zich niet kan binden aan een
willekeurig, voorbijgaand, wijsgerig systeem; maar wat door de katholieke
theologen in overeenstemming in eeuwenlange arbeid is opgesteld, om enigszins
tot een begrijpen en bevatten van het dogma te komen, berust niet op een zo
bouwvallige fundering. Want het berust op beginselen en begrippen die afgeleid
zijn uit de ware en juiste kennis van de geschapen dingen: in dit proces van
afleiding van deze kennis gaf de goddelijke openbaring als een ster verlichting
aan de menselijke geest, door de Kerk. Daarom is het niet verbazend dat enkele
van deze begrippen door de oecumenische Concilies niet alleen gebruikt zijn,
maar zelfs vastgelegd, zodat het verkeerd is om daarvan afstand te nemen”:
encycliek Humani generis (12 augustus 1950): AAS 42
(1950), 566-567; vgl. Internationale Theologische Commissie, Document Interpretationis
Problema (oktober 1989): Enchiridion Vaticanum 11,
2717-2811.
113 “Wat de betekenis van de dogmatische formules betreft,
deze blijft altijd waar en constant in de Kerk, zelfs wanneer zij wordt
verwoord met grotere helderheid of verder ontwikkeld. De gelovigen moeten
daarom allereerst de opvatting vermijden dat dogmatische formules (of bepaalde
soorten ervan) de waarheid niet op bepaalde wijze zouden kunnen beduiden, maar
alleen veranderlijke benaderingen ervan zouden kunnen bieden, die haar in
zekere zin zouden deformeren of veranderen”: K. Congregatie voor de
Geloofsleer, Verklaring ter Verdediging van de Katholieke Leer over de Kerk Mysterium
Ecclesiae (24 juni 1973), 5: AAS 65 (1973), 403.
|