105. Ik voel de
behoefte deze encycliek af te ronden met een laatste gedachte waarmee ik me
vooral tot de theologen wend, opdat zij bijzondere aandacht schenken aan
de wijsgerige implicaties van het woord van God en zeker in hun werk de hele
speculatieve en praktische breedte van de wetenschap der theologie in
beschouwing nemen. Ik wens hen te danken voor hun dienst aan de Kerk. De
intieme band tussen theologische en wijsgerige wijsheid is een van de meest
originele schatten bij de verdieping van de geopenbaarde waarheid. Daarom spoor
ik hen aan de metafysische dimensie van de waarheid ten volle te herontdekken
en te verwoorden, om zó tot een kritische en veeleisende dialoog te
komen met zowel het hedendaagse filosofische denken als met de filosofische
traditie in al haar aspecten, of deze nu wel of niet in harmonie is met het
woord van God. Laten de theologen altijd zich de woorden herinneren van die
grote meester van denken en spiritualiteit, St. Bonaventura, die in de
inleiding tot zijn Itinerarium Mentis in Deum de lezer uitnodigt om ten
volle te beseffen dat “lezen zonder berouw, kennis zonder vroomheid, onderzoek
zonder de prikkel van de verwondering, schranderheid zonder het vermogen, zich
aan vreugde over te geven, werkzaamheid gescheiden van godsdienstigheid, leren
zonder liefde, intelligentie zonder deemoed, studie niet geschraagd door
goddelijke genade, reflectie zonder de door God geïnspireerde wijsheid” -
dat dat allemaal tekortschiet. 128
Mijn gedachten zijn ook bij hen die
verantwoordelijk zijn voor de priestervorming, academisch of pastoraal. Laten
zij ook bijzondere aandacht schenken aan de wijsgerige voorbereiding van hen
die het evangelie zullen verkondigen aan de mensen van vandaag en, meer nog,
van hen die zich zullen wijden aan theologische studie en onderwijs. Ze moeten
zich ten volle inspannen om hun werk uit te voeren in het licht van de
voorschriften die het Tweede Vaticaans Concilie heeft vastgelegd129
en van latere wetgeving, die duidelijk spreken over de dringende en bindende
verplichting, waaraan allen gehouden zijn, om bij te dragen tot een echte,
diepe communicatie van de geloofswaarheden. De zware verantwoordelijkheid om te
zorgen voor een adequate voorbereiding van hen die belast zijn met het
onderwijs in de theologie, zowel aan de seminaries als aan de kerkelijke faculteiten,
mag niet veronachtzaamd worden. 130 Onderwijs op dit gebied
veronderstelt natuurlijk een voldoende wetenschappelijke voorbereiding, een
systematische behandeling van de grote erfenis van de christelijke traditie en
de noodzakelijke onderscheiding in het licht van de actuele behoeften van Kerk
en wereld.
|