106. Mijn
appèl richt zich ook tot de filosofen, en tot alle docenten in
de filosofie; ik vraag hen, in het licht van een blijvend geldige
wijsgerige traditie, de moed te hebben de dimensies van echte wijsheid en ook
metafysische waarheid van het wijsgerige denken te herwinnen. Ik vraag hen open
te staan voor de indringende vragen die voortkomen uit het woord van God en dat
zij de kracht hebben, hun rationele argumentatie bij de beantwoording van deze
vragen toe te passen. Dat zij zich altijd richten op de waarheid en op het
goede dat het ware bevat. Zo zullen zij die onvervalste ethiek kunnen
formuleren, die de mensheid bijzonder in de tegenwoordige tijd zo dringend
nodig heeft. De Kerk volgt het onderzoek van de filosofen met aandacht en
sympathie; zij kunnen er dus zeker van zijn dat de Kerk de legitieme
zelfstandigheid van hun wetenschap altijd zal hoogachten. In het bijzonder wil
ik de gelovigen bemoedigen, die werkzaam zijn op het gebied van de
wijsbegeerte: zij moeten de verschillende terreinen van de menselijke
activiteit verlichten door een rede te gebruiken die, gesteund door het geloof,
nog zekerder en scherpzinniger wordt.
Tenslotte zou ik ook nog een woord
willen richten tot de natuurwetenschappers, die ons door hun onderzoeken
een groeiende kennis verschaffen van het totale heelal en van de ongelooflijk
rijke diversiteit van zijn levende en levenloze onderdelen met hun complexe
atomaire en moleculaire structuren. De weg die zij hebben afgelegd is vooral in
deze eeuw gestoten op doelen, die ons nog steeds verbazen. Wanneer ik mijn
bewondering en bemoediging uitspreek voor deze moedige pioniers van het
wetenschappelijk onderzoek, aan wie de mensheid in hoge mate haar huidige
ontwikkeling te danken heeft, voel ik me tegelijkertijd ertoe verplicht, hen op
te roepen met hun inspanningen door te gaan en daarbij steeds binnen die
horizon van wijsheid te blijven, waarbinnen de natuurwetenschappelijke en
technologische resultaten hand in hand gaan met de wijsgerige en zedelijke
waarden. Deze waarden vormen de karakteristieke en onmisbare uitdrukking van de
menselijke persoon. De wetenschapper is er zich zeer wel van bewust, dat “het
zoeken naar de waarheid, ook wanneer zij een begrensde werkelijkheid van de
wereld of van de mens betreft, nooit ten einde komt, maar steeds leidt naar
iets dat uitgaat boven het onmiddellijke onderzoeksobject; het leidt tot vragen
die de toegang tot het mysterie mogelijk maken.” 131
|