108. Mijn laatste
gedachte geldt haar die het gebed van de Kerk aanroept als Zetel van
Wijsheid, en wier leven een echte parabel is die mijn overweging van deze
bladzijden kan verlichten. Want er is een diepe harmonie te bespeuren tussen de
roeping van de zalige Maagd Maria en de roeping van echte wijsbegeerte. Zoals
de Maagd geroepen werd om zichzelf geheel aan te bieden als mens en als vrouw
opdat Gods Woord vlees zou worden en een van ons, zo wordt ook de wijsbegeerte
ertoe geroepen haar rationele en kritische arbeid te verrichten opdat de
theologie, als het begrip van het geloof, vruchtbaar en creatief mag zijn. En
juist zoals Maria, toe zij instemde met het woord van Gabriël, niets van
haar ware vrijheid en menselijkheid verloor, zo ook verliest het wijsgerige
denken niets van zijn autonomie, wanneer het luistert naar de oproepen van het
evangelie. Dit was een waarheid die de heilige monniken van de christelijke
oudheid goed begrepen toen zij Maria noemden: “geestelijke tafel van het
geloof” 132. In haar zagen zij een lichtend beeld van de
ware wijsbegeerte en ze waren overtuigd van de noodzaak om te philosophari
in Maria.
Moge Maria, de Zetel der Wijsheid, een
veilige haven zijn voor allen die hun leven wijden aan het zoeken naar de
wijsheid. Moge hun reis naar de wijsheid, het veilig en uiteindelijke doel van
alle ware kennis, vrij worden van iedere hindernis door de voorspraak van
degene die, door het leven te schenken aan de Waarheid en die in haar hart te
bewaren, haar voor altijd heeft gedeeld met de hele wereld.
Gegeven te Rome, bij Sint Pieter, op 14 september, het feest van de Kruisverheffing,
in het jaar 1998, het twintigste van mijn pontificaat.
Johannes Paulus PP II
|