4. Er moet
echter beklemtoond worden dat hier achter één enkel begrip
verschillende betekenissen schuilgaan. Daarom blijkt een verklarende
uiteenzetting nodig. Aangespoord door het streven de laatste waarheid over het
bestaan te ontdekken, probeert de mens die universele kennis te verwerven, die
hem in staat stelt zichzelf beter te begrijpen en vooruit te komen in zijn
zelfverwerkelijking. De fundamentele kennis komt voort uit de verbazing
die bij hem opkomt door de beschouwing van de schepping; de mens wordt door
verbazing gegrepen, zodra hij ontdekt dat hij deel is van de wereld en in
betrekking met anderen staat, die op hem lijken en wier lot hij deelt. Hier
begint de weg die hem dan zal leiden tot de ontdekking van steeds nieuwe
horizonten van kennis. Zonder de verbazing zou de mens vervallen in de
monotonie van de herhaling en zeer spoedig zou hij niet meer werkelijk als
persoon kunnen bestaan.
Het aan de menselijke geest eigen vermogen
tot speculatief denken leidt door zijn wijsgerige werk tot de ontwikkeling van
een vorm van streng denken en aldus, door de logische consequentie van de
uitspraken en de organische eenheid van hun inhoud, tot de opbouw van een
systematische kennis. Dankzij dit proces werden in verschillende culturele
omstandigheden en in verschillende perioden resultaten behaald die tot de
uitwerking van echte denksystemen hebben geleid. Daardoor was men in de loop
van de geschiedenis steeds weer blootgesteld aan de verleiding om
één enkele stroming gelijk te stellen met het complete wijsgerige
denken. Heel duidelijk treedt in deze gevallen echter een zekere “wijsgerige
hoogmoed” op, die er aanspraak op maakt de uit zijn eigen perspectief
voortkomende, onvolmaakte visie tot de alomvattende duiding van de
werkelijkheid te maken. Feitelijk moet elk filosofisch systeem, ook als
het zonder enige instrumentalisering in zijn volheid wordt erkend, voorrang
geven aan het wijsgerige denken waaruit het voortkomt en dat het loyaal
moet dienen.
Zo is het mogelijk om ondanks de
veranderingen van de tijd en de vooruitgang van de kennis een kern van
filosofische inzichten te erkennen, die in de geschiedenis van het denken
steeds aanwezig zijn. Men denke, om een enkel voorbeeld te noemen, aan de
beginselen van de non-contradictie, van de doelgerichtheid, van de
oorzakelijkheid en ook aan de opvatting van de persoon als vrij en
verstandelijk begaafd subject en aan zijn vermogen om God, de waarheid en het
goede te kennen; verder denke men aan enkele morele principes die algemeen
gedeeld worden. Deze en andere thema’s geven aan dat er afgezien van de
onderscheiden denkrichtingen een geheel van kennis bestaat, waarin men zoiets
als een geestelijk erfgoed van de mensheid kan zien; net alsof we ons voor een impliciete
wijsbegeerte bevinden, op grond waarvan iedereen zich ervan bewust is, deze
beginselen, zij het in onduidelijke, niet doordachte vorm, te bezitten. Deze
kennis zou, juist omdat zij op enigerlei wijze door allen gedeeld wordt, een
soort referentiepunt van de verschillende wijsgerige scholen moeten zijn.
Wanneer de rede in staat is, de eerste en algemene beginselen van het zijn te
vatten en te formuleren en daarop op juiste wijze consequente, logische en
ethische, conclusies te ontwikkelen, dan mag zij een ‘rechte rede’ of, zoals de
antieke denkers haar noemden, orthos logos, recta ratio heten.
|