5. De Kerk van
haar kant moet de inzet van de rede om doelen te bereiken, die het menselijk
bestaan steeds waardiger maken, wel erkennen. Want zij ziet in de wijsbegeerte
de weg om fundamentele waarheden te leren kennen, die de existentie van de mens
betreffen. Tegelijkertijd beschouwt zij de wijsbegeerte als onontbeerlijke hulp
om het begrip van het geloof te verdiepen en om de waarheid van het evangelie
aan allen die haar nog niet kennen, mee te delen.
Aansluitend aan soortgelijke
initiatieven van mijn voorgangers wil ook ik daarom de blik richten op dit
bijzondere werk van de rede. Daartoe noopt mij de waarneming, dat vooral in
onze tijd het zoeken naar de laatste waarheid vaak vertroebeld blijkt. De
moderne wijsbegeerte heeft zonder twijfel de grote verdienste dat zij de
aandacht op de mens heeft geconcentreerd. Daaruit heeft een met steeds meer
vragen belaste rede haar streven naar steeds meer en steeds diepere kennis
verder ontwikkeld. Zo werden complexe denksystemen opgebouwd, die op de
verschillende kennisterreinen vruchten hebben voortgebracht, omdat ze de
ontplooiing van cultuur en geschiedenis bevorderden. De antropologie, de
logica, de natuurwetenschappen, de geschiedenis, de taal..., in zekere zin het
totaal van de kennis werd daarin betrokken. De positieve resultaten die behaald
werden, mogen echter niet leiden tot een voorbijzien aan het feit dat dezelfde
rede, bezig met eenzijdige onderzoeken naar de mens als subject, vergeten
schijnt dat deze mens er ook altijd toe geroepen is, zich tot de waarheid te
richten die boven hem uitstijgt. Zonder betrekking tot deze waarheid blijft
ieder afhankelijk van eigen goeddunken en zijn status als persoon wordt
tenslotte volgens pragmatische, ten diepste op empirische gegevens berustende
criteria beoordeeld, in de valse overtuiging dat alles door de techniek
beheerst moet worden. Zo kwam het dat de rede, in plaats van de menselijke
oriëntatie op de waarheid zo goed mogelijk te verwoorden, onder de last
van de vele kennis zich over zichzelf heeft gebogen en steeds minder in staat
was, de blik omhoog te heffen om het avontuur aan te gaan, tot de waarheid van
het zijn te komen. De moderne wijsbegeerte heeft de vraag naar het zijn
verwaarloosd en haar zoeken geconcentreerd op de kennis van de mens. In plaats
van gebruik te maken van de mogelijkheid die de mens heeft om de waarheid te
kennen, gaf zij er de voorkeur aan de grenzen en condities daarvan te
accentueren.
Daaruit zijn veel vormen van
agnosticisme en relativisme ontstaan, die tenslotte ertoe leidden dat het
wijsgerige zoeken terechtkwam in het drijfzand van een algemeen scepticisme. In
de jongste tijd hebben verschillende leerstellingen aan belang gewonnen, die
zelfs die waarheden trachten te ontkrachten, die de mens als zekerheid had
verworven. Een gewettigde pluraliteit van stellingnames in het denken heeft
plaatsgemaakt voor een indifferent pluralisme, dat stoelt op de opvatting dat
alle stellingnames gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide
symptomen van het huidige gebrek aan vertrouwen in de waarheid. Ook sommige
oosterse levensovertuigingen maken dit voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk
aan de waarheid haar exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting
dat de waarheid in verschillende, ja zelfs elkaar tegensprekende leerstellingen
tegelijkertijd optreedt. Binnen dit raam is alles teruggebracht tot mening. Men
heeft de indruk van een beweging die zich als een golf naar boven en naar
beneden beweegt. Terwijl het wijsgerig denken er enerzijds in geslaagd is om op
de weg te komen die het steeds dichter bij de menselijke existentie en haar
uitdrukkingsvormen brengt, werkt het er anderzijds aan om existentiële,
hermeneutische of linguïstische zienswijzen te ontwikkelen, die niet
ingaan op de radicale vraag naar de waarheid van het leven als persoon, van het
zijn en van God. Dientengevolge zijn bij moderne mensen, en dat niet alleen bij
enkele filosofen, houdingen van een wijdverbreid wantrouwen tegenover het
geweldige menselijke vermogen tot kennis ontstaan. Met valse bescheidenheid
stelt men zich tevreden met voorlopige deelwaarheden, zonder zelfs nog maar te
proberen om radicale vragen over de zin en de grondoorzaak van het menselijke,
persoonlijke en maatschappelijke leven te stellen. De hoop om van de
wijsbegeerte definitieve antwoorden op deze vragen te krijgen, is dus
verdwenen.
|