6. Zeker van
haar competentie als draagster van de Openbaring van Jezus Christus, wil de
Kerk nu de noodzaak van het nadenken over de waarheid opnieuw bekrachtigen.
Daarom heb ik besloten mij zowel tot de medebroeders in het bisschopsambt te
wenden, met wie ik de zending deel “openlijk de waarheid” (2 Kor 4,2) te
verkondigen, als tot de theologen en filosofen, wier taak het onderzoek naar de
verschillende aspecten van de waarheid is, alsook tot alle mensen die op zoek
zijn: ik wil hen laten delen in enige overwegingen met betrekking tot de weg
die tot de ware wijsheid voert, opdat ieder die de liefde voor haar in het hart
draagt, de juiste weg kan inslaan om haar te bereiken en om in haar rust te
vinden in zijn inspanningen, en geestelijke vreugde.
De drang tot dit initiatief is voor mij
vooral het door het Tweede Vaticaans Concilie geformuleerde inzicht, dat de
bisschoppen “getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid” zijn3.
Getuigen van de waarheid is dus een taak die aan ons bisschoppen is opgedragen;
daarvan kunnen wij niet afzien, zonder het ambt dat wij hebben ontvangen, te
verwaarlozen. Door een nieuwe bekrachtiging van de geloofswaarheid kunnen we
aan de mens van onze tijd weer echt vertrouwen geven in zijn kenvermogens en
aan de wijsbegeerte een uitdaging bieden opdat zij haar volle waardigheid
herkrijgen en ontplooien kan. Nog een ander motief noopte mij deze overwegingen
te formuleren. In de encycliek Veritatis Splendor heb ik “enkele
fundamentele waarheden van de katholieken leer in herinnering” gebracht, “die
in de huidige context het risico lopen vervalst of ontkend te worden” 4.
Met het voorliggende schrijven wil ik nu die gedachten verder ontwikkelen en
daarbij de aandacht juist op het thema waarheid en op haar grondslag
in relatie tot het geloof concentreren. Want men kan niet ontkennen, dat
onze tijd met zijn snelle en ingrijpende veranderingen vooral de jonge
generaties, aan wie de toekomst toebehoort en van wie zij afhangt, blootstelt
aan het gevoel dat ze zonder echte referentiepunten zijn. De behoefte aan een
fundament, waarop het bestaan van ieder afzonderlijk en van de samenleving kan
worden gebouwd, wordt vooral dan indringend duidelijk, wanneer men moest
vaststellen hoe versnipperd het aanbod is, dat het vergankelijke tot waarde
verheft, waarbij de mogelijkheid om te komen tot de ware betekenis van het
bestaan wordt weggemoffeld. Zo komt het dat velen hun leven voortslepen tot
bijna aan de rand van de afgrond, zonder te weten waar ze eigenlijk heen gaan.
Dat hangt ook samen met het feit dat degenen wier roeping het was om de vrucht
van hun denken in culturele vormen uit te drukken, de blik van de waarheid
hebben afgewend en aan onmiddellijk succes de voorkeur hebben gegeven boven de
inspanning van het geduldige zoeken naar wat de moeite waard is om te leven. De
wijsbegeerte, die de grote verantwoordelijkheid heeft om vorm te geven aan het
denken en aan de cultuur door steeds te wijzen op het zoeken naar de waarheid,
moet met alle kracht haar oorspronkelijke roeping herwinnen. Daarom heb ik niet
alleen de behoefte gevoeld, maar het ook als mijn plicht beschouwd, mij over
dit thema uit te spreken, opdat de mensheid op de drempel van het derde
millennium van de christelijke tijdrekening zich duidelijker bewust wordt van
de geweldige mogelijkheden die zij heeft ontvangen, en zich met nieuwe moed
inzet voor de verwezenlijking van het heilsplan, waarin haar geschiedenis is
ingebed.
|