12. De
geschiedenis wordt aldus tot de plaats waar we Gods handelen voor de mensheid
kunnen vaststellen. Hij bereikt ons in hetgeen voor ons het vertrouwdste is en
gemakkelijk verifieerbaar, omdat het om onze dagelijkse omgeving gaat, zonder
welke wij onszelf niet zouden kunnen begrijpen.
De menswording van God laat ons de
eeuwige en definitieve synthese voltrokken zien worden, die de menselijke geest
zich vanuit zichzelf niets eens had kunnen voorstellen: het eeuwige treedt
binnen in de tijd, het geheel verbergt zich in een fragment, God neemt de
gedaante van een mens aan. De in de openbaring van Christus tot uitdrukking
gekomen waarheid is aldus niet meer opgesloten in een nauw begrensd
territoriaal en cultureel gebied, maar opent zich voor iedere man en iedere
vrouw, die haar als het absoluut ware Woord wil aannemen, om het bestaan zin te
geven. Nu hebben alle mensen in Christus toegang tot de Vader; door zijn dood
en zijn verrijzenis heeft Hij het goddelijk leven geschonken, dat de eerste
Adam had afgewezen (vgl. Rom 5, 12-15). Met deze openbaring wordt de mens de
laatste waarheid over zijn leven en over het lot der geschiedenis aangeboden: “Alleen
in het mysterie van het mens geworden Woord licht het mysterie van de mens op”
12, stelt de constitutie Gaudium et spes
vast. Buiten dit zicht blijft het geheim van de menselijke persoon een
onoplosbaar raadsel. Waar anders dan in het licht, dat afstraalt van het
lijden, de dood en de opstanding van Christus, zou de mens het antwoord kunnen
zoeken op zulke dramatische kwesties als die van de pijn, het lijden van
onschuldigen en de dood?
|