|
13.
Men mag niettemin niet vergeten dat de openbaring tot vandaag toe iets
mysterievols blijft. Zeker openbaarde Jezus door zijn leven het aanschijn van
de Vader, want Hij is immers gekomen “om Gods geheimen te verkondigen” 13;
maar de kennis die wij van dit aanschijn hebben, is steeds getekend door het
fragmentarische en beperkte van ons begrijpen. Alleen het geloof staat het ons
toe in de intimiteit van het mysterie binnen te gaan, op een wijze die het ons
mogelijk maakt het samenhangend te vatten. Het concilie leert, dat “aan de zich
openbarende God de gehoorzaamheid van het geloof betracht moet worden” 14.
Met deze korte maar belangrijke uitspraak wordt gewezen op een fundamentele
waarheid van het christendom. Daarin heet het vooral dat het geloof een
gehoorzaam antwoord aan God is. Dat veronderstelt echter, dat Deze in zijn
godheid, transcendentie en hoogste vrijheid erkend wordt. De God die zich laat
kennen, is in het gezag van zijn absolute transcendentie ook de bron van de geloofwaardigheid
van wat Hij openbaart. Door het geloof geeft de mens zijn instemming met dit
goddelijk getuigenis. Dat wil zeggen dat hij geheel en al de waarheid erkent
van hetgeen geopenbaard werd, omdat God zelf daarvoor garant staat. Deze aan de
mens geschonken en door hem niet opeisbare waarheid voegt zich in het kader van
de interpersoonlijke communicatie. Ze zet het verstand ertoe aan, zich voor
haar open te stellen en haar diepere betekenis aan te nemen. Daarom is de akt,
waarmee men zich aan God toevertrouwt, door de Kerk steeds beschouwd als een
fundamenteel beslissingsmoment, waarin de hele persoon is betrokken. Rede en
wil zetten tot het uiterste hun geestelijke natuur in, om aan het subject de
voltrekking van een akt mogelijk te maken waarin de persoonlijke vrijheid in de
volle zin beleefd wordt15. In het geloof is de vrijheid dus
niet simpelweg aanwezig: ze is vereist. Ja, het geloof maakt het ieder mogelijk
zijn vrijheid zo goed mogelijk tot uitdrukking te brengen. Met andere woorden:
de vrijheid verwerkelijkt zich niet in beslissingen tegen God. Hoe zou immers
de weigering om zich open te stellen voor dat wat de zelfverwerkelijking
mogelijk maakt, als een geloofwaardige toepassing van de vrijheid gezien kunnen
worden? In het geloof voltrekt de mens de meest betekenisvolle akt van zijn
bestaan; hier is het dat de vrijheid de zekerheid van de waarheid bereikt en
besluit in haar te leven.
Ook de in de openbaring aanwezige
tekens komen het verstand, dat het geheim tracht te verstaan, te hulp. Ze
dienen ertoe om grondiger naar de waarheid te zoeken en het de rede mogelijk te
maken ook binnen het mysterie zelfstandig op verkenning te gaan. Ze geven
enerzijds aan het verstand groter gewicht, omdat zij het mogelijk maken dat het
verstand met de middelen die het ten dienste staan, waarop het terecht trots
is, het geheim van binnenuit doorgrondt; anderzijds zijn de tekens voor het
verstand een aansporing om verder te gaan dan hun aard van tekens, om de
diepere betekenis die zij dragen, te begrijpen. In die tekens is dus reeds een
verborgen waarheid aanwezig, waarnaar de rede wordt verwezen en waarvan zij
niet kan afzien zonder dat zij de haar aangeboden tekens zelf vernietigt.
Er wordt ons in zekere zin gewezen op
het sacramentele karakter van de openbaring en in het bijzonder op het
teken van de eucharistie, waar de onlosmakelijke eenheid tussen de
werkelijkheid en haar betekenis het mogelijk maakt, de diepte van het mysterie
te bevatten. Christus is in de eucharistie waarlijk aanwezig en levend, Hij
werkt en handelt door zijn Geest, maar zoals de H. Thomas juist gezegd heeft:
“Je ziet niet, je begrijpt niet, maar het geloof bevestigt je voorbij de
natuur. Wat daar verschijnt is een teken: het verbergt in het mysterie verheven
werkelijkheden”. 16 Hem valt de filosoof Pascal bij: “Zoals
Jezus Christus onder de mensen onherkend is gebleven, zo onderscheidt zijn
waarheid zich uiterlijk niet van de algemene opinies. En zo blijft de
eucharistie onder het gewone brood.” 17
De geloofskennis heft het mysterie dus
niet op: ze maakt het alleen inzichtelijker en openbaart het als een voor het
leven van de mens wezenlijk feit: “Christus de Heer (...) openbaart juist in de
openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde, de mens zelf ten
volle aan de mens en ontsluit voor hem zijn hoogste roeping” 18,
namelijk deel te hebben aan het geheim van het drievuldige leven van God.
19
|