15. De waarheid
van de christelijke openbaring, die wij in Jezus van Nazareth ontmoeten, maakt
het iedereen mogelijk het ‘mysterie’ van het eigen leven aan te nemen, zij
respecteert ten diepste de autonomie van het schepsel en zijn vrijheid,
verplicht het echter in naam van de waarheid, zich open te stellen voor het
transcendente. Hier bereikt de verhouding van vrijheid en waarheid haar
hoogtepunt en begrijpt men volledig het woord van de Heer: “Dan zult u de
waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh 8,32).
De christelijke openbaring is de ware
leidstér voor de mens tussen de druk van een immanentistische denkwijze
en de beperkingen van een technocratische logica; zij is de uiterste
mogelijkheid die God biedt om het oorspronkelijke plan van de liefde, dat met
de schepping begonnen is, volledig terug te vinden. Aan de mens die verlangt
naar kennis van het ware wordt, inzoverre hij nog in staat is de blik boven
zichzelf en zijn eigen plannen uit te verheffen, de mogelijkheid gegeven de
natuurlijke verhouding tot zijn leven te herwinnen doordat hij de weg van de
waarheid gaat. De woorden uit het boek Deuteronomium kan men goed op deze
situatie toepassen: “De geboden die Ik u vandaag geef, zijn niet te zwaar voor
u en zij liggen niet buiten uw bereik. Ze zijn niet in de hemel en u hoeft niet
te zeggen: ‘Wie zal naar de hemel gaan om ze voor ons te halen en ze ons te
laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?’ Ze zijn niet overzee en u hoeft
niet te zeggen: ‘Wie zal de zee oversteken om ze voor ons te halen en ze ons te
laten horen, zodat wij ze kunnen volbrengen?” Nee, het woord is dichtbij u, in
uw mond en in uw hart. U kunt het dus volbrengen.” (30, 11-14). Bij deze tekst
sluit de heilige Augustinus, wijsgeer en theoloog, aan met de beroemde
gedachte: “Noli foras ire, in te ipsum redi. In interiore homine habitat
veritas“ [Ga niet naar buiten, keer tot jezelf terug. In het
binnenste van de mens woont de waarheid]. 21
In het licht van deze beschouwingen
komt een eerste conclusie naar boven: de waarheid, die de openbaring ons laat
kennen, is niet de rijpe vrucht of het hoogtepunt van een door het verstand
ontwikkeld denken. Ze verschijnt integendeel als iets onverschuldigds, wekt het
denken op en verlangt om als uitdrukking van de liefde te worden aangenomen.
Deze geopenbaarde waarheid is de in onze geschiedenis gelegde voorsmaak van die
uiteindelijke en definitieve aanschouwing van God, die is voorbehouden aan hen
die in Hem geloven of Hem met oprecht hart zoeken. Het laatste doel van het
menselijke bestaan als persoon is dus studieobject van zowel de wijsbegeerte
alsook de theologie. Beide tonen ons, zij het met verschillende middelen en
inhouden, deze ‘weg ten leven’ (Ps 16,11), die tenslotte, zoals het geloof ons
zegt, uitkomt in de volle en eeuwigdurende vreugde van de aanschouwing van de
drie-ene God.
|