|
16.
Hoe diep de samenhang is tussen geloofs- en verstandskennis, wordt reeds in de
heilige Schrift met verbazend duidelijke aanwijzingen getoond. Vooral de wijsheidsboeken
getuigen daarvan. Wat indruk maakt bij het zonder vooringenomenheid lezen van
deze bladzijden, is het feit dat in deze teksten niet alleen het geloof van
Israël vervat is, maar ook de rijkdom van reeds verdwenen beschavingen en
culturen. Als volgens een bijzonder plan laten Egypte en Mesopotamië weer
hun stem horen, en veel gemeenschappelijke trekken van de oud-oriëntaalse
culturen worden op deze bladzijden, die zo rijk zijn aan innerlijke
intuïties van een unieke diepte, weer ten leven geroepen.
Het is geen toeval dat de heilige
schrijver de wijze mens, die hij zou willen beschrijven, presenteert als degene
die de waarheid bemint en die naar haar zoekt: “Gelukkig de man die zich op de
wijsheid toelegt en die eropuit is om inzicht te krijgen; die de wegen van de
wijsheid in zijn hart overdenkt en haar geheimen probeert te ontdekken; die op
weg gaat en haar als een speurder nazit en op de loer ligt waar zij heengaat;
die door haar ramen gluurt en aan haar deuren staat te luisteren; die dichtbij
haar woning kampeert en zijn tentpin in haar muren slaat; die zijn tent vlak
naast haar opzet en zijn intrek neemt op een plek waar het goed is. Hij plaatst
zijn kinderen onder haar beschutting en hij woont onder haar takken. Door haar
wordt hij tegen de hitte beschut en onder haar pracht vindt hij rust.” (Sir 14,
20-27)
Zoals men ziet is voor de
geïnspireerde schrijver de hartenwens naar kennis een kenmerk dat alle
mensen verenigt. Dankzij het denkvermogen is aan allen, gelovigen en
niet-gelovigen, de mogelijkheid gegeven om “te putten uit het diepe water” van
de kennis. (vgl. Spr 20,5). In het oude Israël was het kennen van de
wereld en haar verschijnselen zeker niet het resultaat van abstractie, zoals
dat geldt voor de Ionische wijsgeren of de Egyptische wijzen. Nog minder
begreep de goede Israëliet zijn kennis op de wijze van de moderne wereld
die meer en meer ertoe neigt om verschillende soorten van kennis te
onderscheiden. Desondanks heeft de wereld van de bijbel haar oorspronkelijke
bijdrage laten vloeien in de grote zee van de kennisleer.
Wat voor soort bijdrage? De
bijzonderheid die de bijbeltekst kenmerkt ligt in de overtuiging dat er tussen
verstands- en geloofskennis een diepe, onscheidbare eenheid bestaat. De wereld
en wat er daarin gebeurt, net als de geschiedenis en de wisselende
wederwaardigheden van het volk zijn werkelijkheden, die met de middelen van het
verstand beschouwd, ontleed en beoordeeld worden, zonder dat echter het geloof
bij dit proces ooit afzijdig blijft. Het grijpt niet in om de autonomie van het
verstand teniet te doen of zijn speelruimte te beperken, maar alleen om het
voor de mens begrijpelijk te maken, dat de God van Israël in deze
gebeurtenissen zichtbaar wordt en handelt. De wereld en de historische
gebeurtenissen kunnen alleen grondig worden gekend wanneer men zich
tegelijkertijd bekent tot het geloof in de in haar werkende God. Het geloof
scherpt de inwendige blik doordat het de rede opent voor de ontdekking van de
actieve aanwezigheid van de Voorzienigheid in de stroom der gebeurtenissen. Een
zin uit het Boek der Spreuken is in deze samenhang veelbetekenend: “Het hart
van de mens bedenkt zijn weg, maar de Heer leidt zijn schreden” (Spr 16,9). Men
zou kunnen zeggen dat de mens met het licht van het verstand zijn weg kan
kennen, maar hem dan alleen snel en zonder hindernissen ten einde gaan, wanneer
hij met een juist gestemd hart zijn zoeken kadert in het raam van het geloof.
Verstand en geloof laten zich daarom niet scheiden zonder dat het voor de mens
onmogelijk wordt, zichzelf, de wereld en God op passende wijze te kennen.
|