17. Er is dus
geen reden voor het bestaan van een soort concurrentiestrijd tussen verstand en
geloof.: het een bevat het ander, en beide hebben hun eigen ruimte om zich te
verwezenlijken. Opnieuw is het het Boek der Spreuken dat ons in deze richting
wijst met de uitroep: “Het is Gods eer, een zaak te verhullen, maar de eer van
de koning is het, een zaak uit te zoeken” (Spr 16,9). God en de mens zijn in
hun respectieve werelden in een unieke relatie gesteld. In God heeft alles zijn
oorsprong, in Hem bevindt zich de volheid van het mysterie, en dat maakt zijn
eer uit; aan de mens is het, met zijn verstand te zoeken naar de waarheid, en
daarin bestaat zijn adel. Een ander steentje voor dit mozaïek wordt door
de Psalmist aangedragen, wanneer hij bidt: “Hoe moeilijk zijn voor mij, o God,
uw gedachten, hoe geweldig is hun aantal! Wilde ik ze tellen, het zouden er
meer zijn dan het zand. Zou ik aan het einde komen, dan zou ik nog steeds bij U
zijn” (Ps 139, 17-18). Het streven naar kennis is zo groot en is verbonden met
een dergelijke dynamische kracht, dat het hart van de mens ondanks de ervaring
van onoverschrijdbare grenzen verlangt naar de oneindige rijkdom, die zich aan
gene zijde bevindt, omdat het weet dat daar het bevredigende antwoord op elke
nog onbeantwoorde vraag rust.
|