18. We kunnen dus
zeggen, dat Israël in staat was, met zijn reflecties voor het verstand de
weg naar het mysterie open te leggen. In Gods openbaring kon het de diepten
peilen van alles wat het met het verstand tevergeefs trachtte te bereiken.
Uitgaande van deze diepste vorm van kennis heeft het uitverkoren volk begrepen
dat het verstand enkele grondregels in acht moet nemen om zijn eigen aard beter
te verhelderen. De eerste is dat het kennen van de mens een weg is die geen
stilstand kent; de tweede komt voort uit het besef dat men zich op deze weg
niet mag begeven met de hoogmoed van degene die meent dat alles de vrucht is
van persoonlijke verwerving; een derde regel steunt op de “vreze Gods”: het
verstand moet Gods soevereine transcendentie en tegelijkertijd zijn zorgende liefde
bij het besturen van de wereld erkennen.
Wanneer de mens van deze regels afwijkt
loopt hij het gevaar van mislukking en komt hij tenslotte in de toestand van de
“dwaas”. Voor de bijbel houdt dwaasheid een bedreiging van het leven in. Want
de dwaas maakt zich wijs, dat hij veel dingen weet, maar is in werkelijkheid
niet in staat, de blik te concentreren op de werkelijk belangrijke dingen. Dat
belet hem, zijn verstand te ordenen (vgl. Spr 1,7) en tegenover zichzelf en
zijn omgeving een juiste houding aan te nemen. Als hij dan zo ver gaat, te
beweren: “Er is geen God” (vgl. Ps 14,1), onthult hij volkomen helder hoe
ontoereikend zijn weten is en hoe ver hij af staat van de volle waarheid over
de dingen, hun oorsprong en hun bestemming.
|