19. Hoofdstuk 13
van het Boek der Wijsheid bevat enkele belangrijke teksten die verder licht
werpen op dit thema. Daarin spreekt de schrijver over God, die zich ook laat
kennen door de natuur. In de Oudheid viel de studie van de natuurwetenschappen
grotendeels samen met de wijsgerige studie. Nadat de heilige tekst heeft
onderstreept dat de mens met zijn rede in staat is, “de opbouw van de wereld en
het werken der elementen, (...) de kringloop van de jaren en de positie van de
sterren, de natuur van de dieren en de wildheid van roofdieren” te begrijpen
(Wijsh 7,17. 19-20), in één woord, dat hij in staat is te
filosoferen, zet hij een zeer opmerkelijke stap naar voren. Terwijl de
schrijver het Griekse wijsgerige denken oppakt, waarnaar hij in deze context
klaarblijkelijk verwijst, verklaart hij, dat men juist door verstandig nadenken
over de natuur weer bij de Schepper terug kan komen: “Want uit de grootheid en
schoonheid van de schepselen ziet men door vergelijking hun Schepper” (Wijsh
13,5). Er wordt dus een eerste trede van de goddelijke openbaring erkend, die
bestaat uit het wonderbaarlijke “boek van de natuur”; als de mens dit boek
leest met de middelen die aan zijn verstand eigen zijn, dan kan hij tot kennis
van de Schepper komen. Wanneer de mens met zijn verstand God, de Schepper van
alles, niet kan kennen, dan ligt dat niet zozeer aan het ontbreken van een
passend middel als wel aan de hindernis die hem op de weg gelegd is door zijn
vrije wil en zijn zonden.
|