|
21.
Kennis berust volgens het Oude Testament niet alleen op zorgvuldige waarneming
van de mens, de wereld en de geschiedenis, maar veronderstelt ook een
voortdurende relatie met het geloof en met de inhoud van de openbaring. Hier
liggen ook de uitdagingen, waarvoor het uitverkoren volk zich geplaatst zag en
waarop het heeft geantwoord. Bij het nadenken over deze situatie waarin hij
zich bevond, heeft de bijbelse mens ontdekt dat hij zichzelf alleen begrijpen
kan voorzover hij ‘in relatie staat’: in relatie met zichzelf, met het volk,
met de wereld, met God. Deze opening voor het mysterie, die tot hem kwam door
de openbaring, was tenslotte voor hem de bron van een ware kennis die zijn
verstand liet binnengaan in het rijk van het oneindige, waardoor hij tot dan toe
ongedachte mogelijkheden tot inzicht kreeg. De inspanning van het onderzoek was
voor de schrijver niet vrij van de moeite die de confrontatie met de grenzen
van het verstand kost. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de woorden waarmee het Boek
der Spreuken de toestand van uitputting beschrijft die optrad bij de poging, de
geheimnisvolle plannen van God te begrijpen (vgl. Spr 30,1-6). De gelovige is
echter ondanks de beproeving niet verslagen. De kracht om zijn weg naar de
waarheid te vervolgen, put hij uit de zekerheid dat God hem als “onderzoeker”
heeft geschapen. (vgl. Pr 1,13), die de opdracht heeft om ondanks de
voortdurende beproeving van de twijfel, niets onbeproefd te laten. Doordat hij
steunt op God blijft hij steeds en overal gericht op het schone, goede en ware.
|