23. De verhouding
van de christen tot de wijsbegeerte verlangt daarom een diepgaande
onderscheiding. In het Nieuwe Testament, vooral in de brieven van de H. Paulus,
komt één feit duidelijk aan het licht: de tegenstelling tussen de
“wijsheid van deze wereld” en de in Jezus Christus geopenbaarde wijsheid van
God. De diepgang van de geopenbaarde wijsheid verbreekt de cirkel van onze
gewone denkschema’s, die geenszins in staat zijn, haar adequaat weer te geven.
Het begin van de eerste brief aan de
Corinthiërs brengt dit dilemma radicaal naar voren. De gekruisigde Zoon
van God is de historische gebeurtenis waarop iedere poging van het verstand
stukloopt om met puur menselijke redenering een bevredigende verklaring te
geven voor de zin van het bestaan. Het ware knooppunt dat de wijsbegeerte
uitdaagt is de dood van Jezus Christus aan het kruis. Want hier is iedere
poging, het heilsplan van de Vader te herleiden tot puur menselijke logica, tot
mislukken gedoemd. “Waar is een wijze? Waar een schriftgeleerde? Waar een
woordvoerder in deze wereld? Heeft God de wijsheid van de wereld niet tot
dwaasheid gemaakt?” (1Kor 1,20), vraagt de apostel nadrukkelijk. Voor dat wat
God wil verwezenlijken, is niet langer de wijsheid van de wijze mens voldoende,
maar er is een bewuste stap naar het aanvaarden van iets volledig nieuws nodig:
“God heeft het dwaze in de wereld uitgekozen om de wijzen te schande te
maken (...) En het nederige in de wereld en het verachte heeft God uitgekozen:
dat wat niets is, omdat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,27-28). De
menselijke wijsheid weigert in haar zwakheid de voorwaarde voor haar kracht te
zien; maar de H. Paulus aarzelt niet om te benadrukken: “Wanner ik zwak ben,
dan ben ik sterk” (2Kor 12, 10). De mens kan niet begrijpen, hoe de dood bron
van leven en liefde zou kunnen zijn, maar God heeft juist dat voor de
onthulling van het geheim van zijn heilsplan uitgekozen, wat het verstand
beschouwt als ‘dwaasheid’ en ‘ergernis’. Met behulp van de taal van de
wijsgeren van zijn tijd bereikt Paulus het hoogtepunt van zijn leer en van de
paradox, die hij wil uitdrukken: “God heeft in de wereld dat wat niets
is, uitgekozen om dat wat iets is te vernietigen” (1Kor 1,28). De apostel
schroomt niet om de radicaalste taal die de wijsgeren in hun beschouwingen over
God aanwendden, te gebruiken, om het wezen van de onverschuldigde liefde uit te
drukken, die zich in het kruis van Jezus Christus heeft geopenbaard. De rede
kan het geheim van de liefde dat het kruis omvat, niet elimineren; in plaats
daarvan kan het kruis de rede het laatste antwoord geven, waarnaar zij zoekt.
Niet de wijsheid van de woorden, maar het woord van de wijsheid biedt de H.
Paulus als criterium van de waarheid en daarmee van het heil.
De wijsheid van het kruis overwint zo
elke culturele grens, die men haar wil stellen, en verplicht tot het zich
openstellen voor de universaliteit van de waarheid, waarvan zij de draagster
is. Wat een uitdaging voor ons verstand, en wat een voordeel haalt het eruit,
wanneer het zich eraan overgeeft. De wijsbegeerte die reeds uit zichzelf in
staat is de onophoudelijke zelfoverstijging van de mens naar de waarheid, te
erkennen, kan zich met de hulp van het geloof openstellen om de ‘dwaasheid’ van
het kruis te aanvaarden als de echte kritiek op hen die zichzelf wijsmaken dat
zij de waarheid bezitten, terwijl ze haar vasthouden in de ondiepten van hun
systeem. De verhouding van geloof en wijsbegeerte stoot in de verkondiging van
de gekruisigde en opgestane Christus op de klip waarop ze schipbreuk kan
lijden. Maar achter de klip kan ze uitmonden in de oneindige zee van de
waarheid. Hier blijkt duidelijk de grens tussen verstand en geloof, maar ook
wordt er de ruimte zichtbaar waar beide elkaar kunnen ontmoeten.
|