26. De waarheid
presenteert zich bij de mens aanvankelijk in de vorm van een vraag: heeft
het leven een zin? Waarheen leidt het? Op het eerste gezicht zou het
bestaan van de mens als persoon volkomen zinloos kunnen lijken. Je hoeft er geen
wijsgeren van het ongerijmde bij te halen, of de provocerende vragen in het
boek Job, om aan de zin van het leven te twijfelen. De dagelijkse ervaring van
eigen en andermans leed, het zien van zoveel feiten die in het licht van de
waarheid onverklaarbaar lijken, volstaan om onontkoombaar een zo dramatische
vraag als die naar de zin te stellen. 26 Daarbij komt dat de
eerste absoluut zekere waarheid van ons bestaan, buiten het feit dát we
bestaan, de onvermijdelijkheid van onze dood is. Gegeven dit verontrustende
feit is het zoeken naar een volledig antwoord onontkoombaar. Ieder wil - en
moet - de waarheid over zijn einde kennen. Hij wil weten, of
de dood het definitieve einde van zijn bestaan is, óf of er nog iets is
dat over de dood heen reikt; of hij mag hopen op een voortbestaan of niet. Niet
zonder reden heeft het wijsgerige denken zijn beslissende oriëntering
gekregen van de dood van Socrates, en is het meer dan tweeduizend jaar lang
daardoor getekend. Het is dus absoluut geen toeval dat in het licht van het
feit van de dood de filosofen zich steeds weer met dit probleem, samen met de
vraag naar de zin van het leven en de onsterfelijkheid, hebben beziggehouden.
|