27. Niemand, de
wijsgeer zo min als de gewone mens, kan deze vragen ontlopen. Van het antwoord
daarop hangt een beslissende etappe van de zoektocht af: of het mogelijk is, te
komen tot een universele en absolute waarheid of niet. Op zich blijkt iedere
waarheid, ook deelwaarheid, als ze werkelijk waarheid is, universeel. Wat waar
is, moet voor allen en voor altijd waar zijn. Buiten deze universaliteit zoekt
de mens echter naar een absolutum dat aan heel zijn zoeken en speuren
antwoord en zin kan geven: iets ultiems, dat de oorzaak van iedere zaak zal
blijken. Met andere woorden: hij zoekt naar een definitieve verklaring, naar
een hoogste waarde, waarboven er geen verdere vragen of verwijzingen zijn of
kunnen zijn. Hypothesen kunnen de mens fascineren, maar ze bevredigen hem niet.
Er komt voor allen een moment waarop ze, of ze het toegeven of niet, de
behoefte hebben om hun bestaan te verankeren in een als definitief erkende
waarheid, die een zekerheid brengt die niet meer onderworpen is aan de twijfel.
De filosofen hebben in de loop der eeuwen geprobeerd zo’n waarheid te ontdekken
en uit te drukken, door denksystemen en -scholen in het leven te roepen. Maar
boven die wijsgerige systemen uit zijn er nog andere uitdrukkingsvormen, waarin
de mens zijn ‘filosofie’ vorm probeert te geven: daarbij gaat het om
persoonlijke overtuigingen of ervaringen, om familie- of culturele tradities of
om levensprogramma’s, waar men zich toevertrouwt aan het gezag van een leraar.
Uit elk van deze verschijnselen spreekt steeds de levendige wens om te komen
tot de zekerheid van de waarheid en haar absolute waarde.
|