29. Het is
ondenkbaar dat een zoeken dat zo diep geworteld is in de menselijke natuur
volledig nutteloos en vergeefs zou kunnen zijn. Het vermogen om naar de waarheid
te zoeken en vragen te stellen houdt namelijk reeds een eerste antwoord in. De
mens zou helemaal niet beginnen iets te zoeken, waarvan hij toch niets wist of
dat hij voor absoluut onbereikbaar hield.
Alleen het uitzicht, tot een antwoord
te kunnen komen, kan voor hem aanleiding zijn de eerste stap te zetten.
Feitelijk gebeurt precies dat normaliter in het wetenschappelijk onderzoek.
Wanneer een wetenschapper, zijn intuïtie volgend, zich wijdt aan het
zoeken naar de logische en verifieerbare verklaring van een bepaald
verschijnsel, vertrouwt hij er vanaf het begin op, een antwoord te vinden, en
geeft niet op bij mislukkingen. Hij houdt zijn oorspronkelijke ingeving niet
voor nutteloos alleen omdat hij het doel niet bereikt heeft; veeleer zal hij,
terecht, zeggen dat hij nog niet het adequate antwoord heeft gevonden.
Datzelfde moet ook gezegd worden van het zoeken naar de waarheid op het gebied
van de laatste vragen. Het verlangen naar de waarheid is zo diep geworteld in
het mensenhart, dat daarvan afstand nemen het bestaan zou bedreigen. Het is
tenslotte voldoende het dagelijks leven te bezien om vast te stellen dat ieder
van ons de kwellende last van enkele existentiële vragen in zich draagt en
tegelijk in zijn hart minstens het ontwerp van de bijbehorende antwoorden
koestert. Het zijn antwoorden van welker waarheid men ook daarom overtuigd is,
omdat men de ervaring heeft, dat zij zich in wezen niet onderscheiden van de
antwoorden die vele anderen hebben gekregen. Zeker bezit niet iedere waarheid
die verkregen wordt, dezelfde waarde. Door het totaal aan behaalde resultaten
wordt echter het vermogen van de mens, fundamenteel tot de waarheid te komen,
bevestigd.
|