31. De mens is
niet geschapen om alleen te leven. Hij wordt geboren en groeit op in een gezin,
om later met zijn werk deel uit te maken van de samenleving. Vanaf zijn
geboorte bevindt hij zich dus ingevoegd in verschillende tradities, waarvan hij
niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt, maar ook een veelvoud aan
waarheden, waaraan hij bijna instinctief gelooft. Persoonlijke groei en rijping
maken echter, dat deze waarheden door de bijzondere inzet van het kritische
denken in twijfel getrokken kunnen worden, en getest. Dat belet niet, dat na
deze overgangsfase dezelfde waarheden op grond van de daarmee opgedane
ervaringen of dankzij nadere overwegingen “herwonnen” worden. Desondanks zijn
in het leven van de mens de simpelweg geloofde waarheden veel talrijker dan die
welke hij door persoonlijk onderzoek verwerft. Wie zou wel in staat zijn, de
ontelbare wetenschappelijke resultaten, waar het moderne leven op steunt,
kritisch te onderzoeken? Wie zou persoonlijk de stroom aan informatie kunnen
controleren, die dag in dag uit, uit alle delen van de wereld binnenkomt en die
toch als fundamenteel waar wordt aangenomen?: Wie zou tenslotte de ervarings-
en denkwegen opnieuw kunnen gaan waarop zich de schatten van de mensheid aan
wijsheid en religiositeit hebben verzameld? De mens, een wezen dat naar de
waarheid zoekt, is dus ook degene die leeft van het geloof.
|