32. In het geloof
vertrouwt ieder zich toe aan de door andere personen verworven kennis. Daarin
is een betekenisvolle spanning merkbaar: enerzijds schijnt de geloofskennis een
onvolmaakte kennisvorm, die zich langzaamaan door het persoonlijk gewonnen
inzicht moet vervolmaken; anderzijds blijkt het geloof vaak menselijk rijker
dan pure evidentie, omdat het een relatie tussen personen inhoudt en niet
slechts de persoonlijke kenvermogens, maar ook het diepergaande vermogen in het
spel brengt, zich aan andere personen toe te vertrouwen, doordat men een
vastere en innige verbinding met hen aangaat.
Onderstreept zij, dat de in deze
tussenmenselijke betrekking gezochte waarheden niet primair van empirische of
wijsgerige orde zijn. Gezocht wordt veeleer naar de eigenlijke waarheid van
de persoon: wat hij is en wat hij van zijn innerlijk zichtbaar laat worden.
De volmaaktheid van de mens ligt namelijk niet alleen in het zich eigen maken
van de abstracte kennis van de waarheid, maar ook in een levende betrekking van
zelfgave en trouw tegenover de ander. In deze vertrouwvolle zelfgave vindt de
mens volledige zekerheid en veiligheid. tegelijkertijd is de kennis door het
geloof, die steunt op het tussenmenselijke vertrouwen, toch niet zonder relatie
met de waarheid: de gelovige mens vertrouwt zich toe aan de waarheid die de
ander hem verkondigt.
Hoeveel voorbeelden zouden aangehaald
kunnen worden om dit feit te illustreren! Maar mijn gedachten gaan onmiddellijk
naar het getuigenis van de martelaren. De martelaar is inderdaad de
betrouwbaarste getuige van de waarheid over het bestaan. Hij weet, dat hij in
de ontmoeting met Jezus Christus de waarheid over zijn leven heeft gevonden;
niets en niemand zal hem ooit van deze zekerheid kunnen beroven. Noch het
lijden noch de gewelddadige dood zullen hem ertoe kunnen brengen, de instemming
met de waarheid te herroepen, die hij in de ontmoeting met Christus heeft
ontdekt. Daarom fascineert ons tot de dag van vandaag het getuigenis van de
martelaren, het wekt instemming op, vindt gehoor en navolging. Dat is de reden
waarom men op hun woord vertrouwt: men ontdekt in hen heel duidelijk een
liefde, die geen lange redeneringen nodig heeft om te overtuigen, omdat zij tot
ieder spreekt over hetgeen hij in zijn binnenste reeds als waar heeft
beluisterd en sinds lang heeft gezocht. Tenslotte roept de martelaar bij ons
een diep vertrouwen op, omdat hij zegt wat wij reeds ervaren, en openbaar
maakt, wat ook wij, als we de kracht daartoe zouden vinden, graag zouden
uitdrukken.
|