Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk IV De Verhouding Van Geloof En Rede
    • Belangrijke Stappen In De Ontmoeting Van Geloof En Rede
      • 42
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

42. In de scholastieke wijsbegeerte wordt onder impuls van de interpretatie van de intellectus fidei door Anselmus van Kantelberg (Canterbury) de rol van het filosofisch geschoolde verstand nog gewichtiger. Voor de heilige aartsbisschop van Kantelberg is de voorrang van het geloof niet in concurrentie met het zoeken dat aan het verstand eigen is. Dit is er namelijk niet toe geroepen, een oordeel over de geloofsinhoud te formuleren; het zou er, omdat het daarvoor ongeschikt is, ook helemaal niet toe in staat zijn. Veeleer is het zijn taak, een zin te vinden, redenen te ontdekken, die het allen mogelijk maken tot een zeker begrijpen van de geloofsinhoud te komen. De H. Anselmus onderstreept het feit dat de rede moet zoeken naar dat wat zij bemint: hoe meer ze bemint, des te meer verlangt zij naar kennis. Wie leeft voor de waarheid, streeft naar een vorm van kennis die steeds meer ontbrandt in liefde voor dat wat hij kent, ook wanneer hij moet toegeven dat hij nog niet alles heeft gedaan wat in zijn verlangen lag: Ad te videndum factus sum; et nondum feci propter quod factus sum” 42. Het streven naar waarheid drijft het verstand er dus toe om steeds verder te gaan; ja, het wordt stilaan overweldigd door het besef dat zijn vermogen steeds groter is dan wat het daadwerkelijk bereikt. Op dit punt echter kan het verstand ontdekken, waar de voltooiing van zijn tocht ligt: “Want ik meen, dat iemand die iets onbegrijpelijks onderzoekt, zich ermee tevreden moet stellen als hij met behulp van rationele overweging een heel zekere waarneming bereikt van de werkelijkheid daarvan, ook al kan zijn intellect niet doordringen tot de zijnswijze ervan (...) Want is er iets dat zo onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is als dat wat boven alles is? Als dus dat wat men tot nog toe over het hoogste wezen heeft bediscussieerd, op grond van de nodige argumenten is vastgesteld, ofschoon men met de rede niet zó tot dat wezen kan doordringen dat men het ook met woorden kan verklaren, raakt daarom de grondslag van zijn zekerheid niet in het minst aan het wankelen. Want als een eerdere rationele beschouwing heeft geconcludeerd dat de wijze, waarop de hoogste wijsheid weet, wat zij geschapen heeft (...) onbegrijpelijk is (rationabiliter comprehendit incomprensibile esse), wie zal dan kunnen verklaren hoe zij zichzelf kent en zich noemt - zij, over wie de mens niets of bijna niets kan weten?” 43

De fundamentele eenheid van wijsgerige kennis en geloofskennis wordt nog eens bevestigd: het geloof verlangt dat zijn object met de hulp van het verstand begrepen wordt; het verstand erkent op het hoogtepunt van zijn zoektocht dat, wat het verstand aanbiedt, als noodzakelijk.




42 Sint Anselmus, Proslogion, 1: PL 158, 226. “Ik ben geschapen om U te zien; en ik heb nog niet gedaan waarvoor ik geschapen ben”.



43 Idem, Monologion, 64: PL 158, 210.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License