Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Ioannes Paulus PP. II
Fides et Ratio

IntraText CT - Text

  • Hoofdstuk I De Openbaring Van Gods Wijsheid
    • Het verstand vóór het mysterie
      • 14
Previous - Next

Click here to show the links to concordance

14. De leer van de beide Vaticaanse Concilies legt ook voor het filosofische kennen een horizon van echte vernieuwing open. De openbaring brengt binnen de geschiedenis een referentiepunt waarvan de mens niet kan afzien, als hij ertoe wil komen het geheim van zijn bestaan te begrijpen; anderzijds verwijst deze kennis voortdurend naar het mysterie van God, dat het verstand niet volledig kan doorgronden, maar alleen in geloof ontvangen en aannemen. Tussen deze beide momenten heeft de rede haar bijzondere plaats die het haar mogelijk maakt te onderzoeken en te begrijpen, zonder door iets anders ingeperkt te worden dan door haar eindigheid voor het oneindige mysterie van God.

De openbaring brengt dus binnen onze geschiedenis een universele en laatste waarheid, die het menselijk verstand ertoe uitdaagt, nooit te blijven staan; ja, ze spoort hem aan de ruimte van zijn kennis steeds uit te breiden, totdat hij beseft dat hij zonder verzuim alles wat in zijn macht stond heeft gedaan. Bij deze overdenking komt ons een van de spiritueelste en belangrijkste scheppende persoonlijkheden van de mensengeschiedenis te hulp, een referentiepunt voor zowel de wijsbegeerte alsook de theologie: de heilige Anselmus. In zijn Proslogion schrijft de bisschop van Kantelberg: “Terwijl ik dikwijls vol ijver mijn gedachten richtte op dit probleem, scheen het soms alsof ik datgene, waarnaar ik zocht, reeds kon vatten; een andere keer echter gleed het volledig weg uit mijn denken; tot ik tenslotte de hoop, het ooit te kunnen vinden, verloor en het zoeken naar iets dat zich onmogelijk liet vinden, wilde opgeven. Wanneer ik die gedachten echter uit mij wilde verdrijven, opdat zij mijn geest niet zouden bezighouden en mij zouden afhouden van andere problemen, waaruit ik enig gewin kon halen, dan kwamen zij op met steeds grotere opdringerigheid. (...) Maar wat ben ik armzalige, een van Eva’s zonen, ver van God, begonnen te ondernemen, en wat is mij gelukt? Waarheen ging mijn neiging en waar ben ik terechtgekomen? Waar streefde ik naar en wat verlang ik nog steeds? (...) O Heer, U bent niet alleen het grootste dat men kan denken (non solum es quo maius cogitari nequit), maar U bent groter dan alles wat men kan denken (quiddam maius quam cogitari possit) (...) Als U niet zo was, zou men zich iets groters dan U kunnen voorstellen, maar dat is onmogelijk.” 20




20 Prologion, Prooemium en nr. 1, 15: PL 158, 223-224; 226; 235.






Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License