7. Beminde
zusters, laat ons samen opnieuw denken over de prachtige passage van de Schrift
die de schepping van de mens beschrijft en zoveel te zeggen heeft over jullie
waardigheid en opdracht in de wereld.
Het boek Genesis spreekt op
beknopte wijze over de schepping in een poëtische en symbolische taal,
maar diepzinnige waarheid: “God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld
van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen“ (Gen.1,27). De
scheppingsdaad van God vindt plaats volgens een precies plan. Allereerst, wordt
ons verteld dat de mens is geschapen “naar beeld en gelijkenis van God” (cf.
Gen. 1,26). Deze uitdrukking maakt zonder meer duidelijk wat de mens
onderscheidt van de rest van de schepping.
Ons wordt vervolgens verteld dat,
vanaf het eerste begin, de mens is geschapen als “man en vrouw” (Gen.1,27) De
Schrift zelf voorziet in de interpretatie van dit feit: ofschoon de man is
omgeven door ontelbare creaturen van de geschapen wereld, realiseert hij zich
dat hij alleen is. (cf. Gen.2:20) God komt tussenbeide om hem te helpen
ontsnappen aan deze situatie van eenzaamheid. “Het is niet goed dat de mens
alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past“ (Gen.2:18)
De schepping van de vrouw is aldus vanaf het begin gekenmerkt door het
principe van hulp: een hulp die niet eenzijdig, maar wederzijds is.
De vrouw vult de man aan, zoals de man de vrouw aanvult. Man en vrouw zijn
elkaar aanvullend. De vrouw is net zoveel uitdrukking van de mens als de
man, maar op een andere en aanvullende wijze.
Wanneer het boek Genesis spreekt
van ‘hulp’ verwijst het niet alleen naar handelen, maar ook naar zijn.
Vrouw en man zijn niet alleen elkaar aanvullend vanuit fysiek en
psychologisch oogpunt, maar ook vanuit de leer van het zijn. Het is
alleen door de dualiteit van het ‘mannelijke’ en het ‘vrouwelijke’ dat de
‘mens’ zijn volledige verwezenlijking vindt.
|