8. Nadat Hij
man en vrouw geschapen heeft zegt God tot beiden: “bevolk de aarde en
onderwerp haar“ (Gen. 1,28) Niet alleen geeft Hij hen het vermogen zich
voort te planten als middel om de menselijke soort te bestendigen door de
eeuwen heen, Hij geeft hen ook de aarde, met de opdracht verantwoord om te
gaan met haar bronnen. Als rationeel en vrij wezen is de mens geroepen om
het aanschijn van de aarde te veranderen. In deze opdracht, die uiteindelijk
die van beschaving is, zijn man en vrouw vanaf het begin even verantwoordelijk.
In hun vruchtbare gemeenschap als man en vrouw, in hun gemeenschappelijke taak
om heerschappij over de aarde te voeren, worden man en vrouw niet bepaald door
een statische en volkomen gelijkheid noch door een onverenigbaar en
onverbiddelijk conflictueus onderscheid. Hun meest natuurlijke verhouding, die
overeenkomt met het plan van God, is de ‘eenheid van de twee’, een relationele
‘uni-dualiteit’, die ieder in staat stelt de wederkerige relatie tussen de
personen te ervaren als een gift die verrijkt en verantwoordelijkheid verleent.
Aan deze ‘eenheid van de twee’
heeft God niet alleen de voortplanting en het gezinsleven toevertrouwd, maar de
schepping van de geschiedenis zelf. Terwijl het Internationale Jaar van het
Gezin in 1994 vooral de aandacht vestigde op de vrouw als moeder,
voorziet de Conferentie van Peking, dat als thema heeft ‘Actie voor gelijkheid,
ontwikkeling en vrede’, een veelbelovende gelegenheid voor een betere
bewustwording van de vele bijdragen die vrouwen hebben geleverd aan het
leven van hele samenlevingen en naties. Deze bijdrage is primair geestelijk
en cultureel van aard, maar eveneens socio-politiek en economisch. De
verschillende sectoren van de samenleving, naties en staten, en de vooruitgang
van de gehele mensheid, zijn zeker diepe dank verschuldigd wegens de bijdrage
van vrouwen.
|