10. Het is dus
mijn hoop, beminde zusters, dat jullie zorgvuldig overwegen wat het betekent om
te spreken over het ‘genie van de vrouw’, niet alleen om hierin een
specifiek onderdeel van Gods plan te zien dat aanvaard en gewaardeerd dient te
worden, maar ook om dit genie tot meer ontplooiing te brengen in de samenleving
als geheel alswel in het leven van de Kerk. Dit is regelmatig ter sprake
gebracht in het Mariajaar en ikzelf heb er uitgebreid bij stilgestaan in
mijn Apostolische Brief Mulieris Dignitatem (1988). In aanvulling daarop
heb ik dit jaar in de brief die ik gewoonlijk op Witte Donderdag aan de
priesters stuur, hen uitgenodigd Mulieris Dignitatem te herlezen en na
te denken over de belangrijke rol die vrouwen in hun leven hebben gespeeld als
moeders, zusters en medewerksters in het apostolaat. Dit is een ander aspect -
verschillend van het huwelijkse aspect, maar ook belangrijk - van de ‘hulp’ aan
de man waartoe vrouwen volgens het Boek Genesis geroepen zijn.
De Kerk ziet in Maria de hoogste
uitdrukking van het ‘vrouwelijk genie’ en vindt in haar een constante bron
van inspiratie. Maria noemde zichzelf ‘dienstmaagd van de Heer’ (Luc. 1,38)
Door te gehoorzamen aan het Woord van God aanvaardde zij haar verheven, maar
niet eenvoudige roeping als vrouw en moeder in het gezin van Nazareth. Haarzelf
in dienst stellend van God, heeft ze zichzelf ook in dienst gesteld van
anderen: een dienst van liefde. Juist door deze dienst was Maria in
staat om in haar leven een mystieke, maar authentieke ‘heerschappij’ te
ervaren. Het is niet toevallig dat zij wordt aangeroepen als ‘Koningin van
hemel en aarde’. De gehele gemeenschap van gelovigen roept haar op die wijze
aan; vele naties en volken doen een beroep op haar als hun ‘koningin’. Voor
haar betekent ‘heersen’ dienen! Haar dienen is ‘heersen’!
In dit licht dient autoriteit te
worden verstaan, zowel in het gezin en de samenleving als in de Kerk. Ieders
persoonlijke en fundamentele roeping openbaart zich in dit ‘heersen’, want
iedere persoon is geschapen naar de ‘gelijkenis’ met Hem die Heer van hemel en
aarde is, en is geroepen om zijn zoon of dochter in Christus te worden. De mens
is het enige schepsel op aarde ‘dat God heeft gewild om zichzelf’, zoals het
Tweede Vaticaans Concilie leert; het voegt eraan toe dat de mens “zichzelf
alleen volledig vinden kan in de oprechte gave van zichzelf” (Gaudium et
Spes, 24) De moederlijke ‘heerschappij’ van Maria bestaat hierin.
Zij die was, in heel haar wezen,
een gave voor haar Zoon, is ook een gave geworden voor de zonen en dochters
van het gehele menselijke geslacht, diep vertrouwen wekkend van degenen die
haar leiding zoeken op de moeilijke wegen van het leven op weg naar hun
definitieve en transcendente bestemming. Ieder bereikt dit uiteindelijke
doel door trouw te zijn aan zijn of haar roeping; dit doel geeft in gelijke
mate zin en richting voor de aardse werken van mannen en vrouwen.
|