11. Tegen de achtergrond
van deze ‘dienst’ - die, wanneer in vrijheid, wederkerigheid en liefde
volbracht, het ware ‘koningschap’ van de mens tot uitdrukking brengt - is het
mogelijk, zonder nadelige gevolgen voor de vrouw ook een zeker
rollenonderscheid te aanvaarden, voor zover dit onderscheid niet het resultaat
is van willekeur, maar voortkomt uit de bijzondere eigenheid van het man- en
vrouw-zijn. Het gaat hier om een thematiek met een specifieke toepassing ook op
binnenkerkelijk vlak.
Wanneer Christus - in een vrije en
soevereine beslissing, die in het evangelie en in de huidige kerkelijke
overlevering goed gedocumenteerd is - alleen mannen de opdracht heeft gegeven,
door de uitoefening van het priesterschap ‘ikoon’ van zijn wezen als ‘herder’
en ‘bruidegom’ van de Kerk te zijn, dan doet dat geen afbreuk aan de rol van de
vrouwen, net zomin als van enig ander lid van de Kerk, dat niet met het
priesterschap is bekleed. Allen zijn immers op gelijke wijze met de waardigheid
van het ‘algemeen priesterschap’ bekleed, dat zijn wortels vindt in de doop.
Dit rollenonderscheid dient niet te worden beschouwd zoals de criteria van
functionaliteit typerend voor de menselijke samenleving. Het dient voor alles
te worden bezien overeenkomstig de bijzondere criteria van de sacramentele
economie, dat wil zeggen de economie van ‘tekenen’ die God vrijelijk kiest
om aanwezig te kunnen zijn temidden van de mensen.
Verder, precies in de lijn van deze
economie van tekenen, zelfs los van de sacramentele sfeer, heeft de
‘vrouwelijkheid’ zoals die op zo sublieme wijze door Maria is beleefd, een
grote betekenis. In wezen is er in de ‘vrouwelijkheid’ van de gelovige vrouw,
en in het bijzonder in die van de ‘gewijde’ vrouw, een soort inherente
‘profetie’ aanwezig. (cf. Mulieris Dignitatem, 29), een krachtig
verbeeldende symboliek, een zeer betekenisvol ‘beeldend karakter’, dat zijn
volle verwezenlijking vindt in Maria en dat ook zo juist de essentie van de
Kerk uitdrukt als een gemeenschap die gewijd is met de integriteit van een ‘maagd’
om de ‘bruid’ te worden van Christus en ‘moeder’ van de
gelovigen. Wanneer we de ‘beeldende’ aanvullendheid van de rollen van man en
vrouw beschouwen, komen twee essentiële dimensies van de Kerk in een
helderder licht te staan: het ‘Mariale’ principe en het apostolisch-Petrinische
principe. (Mulieris Dignitatem, 27)
Aan de andere kant - zoals ik heb
geschreven aan de priesters in de Witte Donderdagbrief van dit jaar - is het
ministeriële priesterschap, overeenkomstig Christus’ plan, “niet een
uitdrukking van dominantie, maar van dienst” (nr. 7) De Kerk dient, in haar
dagelijkse hernieuwing in het licht van het Woord van God, dit dringend steeds
meer en duidelijker te benadrukken, zowel door de ontwikkeling van
gemeenschapsgeest als door het voorzichtig koesteren van alle manieren van
participatie die haar eigen zijn en ook door respect te tonen voor en het
bevorderen van de verschillende persoonlijke en gemeenschappelijke charisma’s
die de Geest Gods schenkt voor het opbouwen van de christelijke gemeenschap en
de dienst aan de mensheid.
Op dit omvangrijke terrein van
dienstverlening heeft de 2000 jaar oude geschiedenis van de Kerk, met name zijn
historische conditionering, werkelijk de ‘genie van de vrouw’ ervaren;
uit het hart van de Kerk zijn vrouwen naar voren gekomen van het hoogste
kaliber die een indrukwekkende en heilzame sporen in de geschiedenis hebben
achtergelaten. Ik denk aan de grote martelaressen, heiligen en bekende
mystica’s. In het bijzonder denk ik aan de heilige Catharina van Siena en de
heilige Theresia van Avila, aan wie paus Paulus VI uit blijde herinnering de
titel van kerklerares heeft verleend. En hoe zouden we de vele vrouwen over het
hoofd kunnen zien die, geïnspireerd door het geloof, verantwoordelijk
waren voor initiatieven van buitengewone sociaal belang, in het bijzonder in de
dienst aan de armsten van de armen? Het leven van de kerk in het derde
millennium zal het zeker niet ontbreken aan nieuwe en verbazingwekkende
uitingen van ‘het vrouwelijk genie’.
|