Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 1,2 | dit belangrijkste goed van hem in de hoogste mate gerespecteerd
2 I, 1 | zijn broer Abel en doodde hem”(Gn 4,8): aan de wortel
3 I, 1,7 | onvergankelijk leven; en Hij heeft hem gemaakt tot een beeld van
4 I, 1,7 | broer aan en vermoordde hem”(Gn 4,8). ~Die eerste moord
5 I, 1,7 | begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?”~
6 I, 1,7 | tegen zijn broer en doodde hem. ~Nu zei Jahwe tot Kaïn: “
7 I, 1,7 | Maar Jahwe antwoordde hem: “Neen! Wie het ook is die
8 I, 1,7 | voorkomen dat ieder die hem ontmoette hem doden zou.
9 I, 1,7 | ieder die hem ontmoette hem doden zou. Daarna trok Kaïn
10 I, 1,8 | afbreekt. Hij waarschuwt hem, herinnert hem aan zijn
11 I, 1,8 | waarschuwt hem, herinnert hem aan zijn vrijheid tegenover
12 I, 1,8 | zich op zijn broer en doodt hem. In de Katechismus van de
13 I, 1,8 | boze, dat wil zeggen van hem die “moordenaar van begin
14 I, 1,8 | wreken. Tegenover God, die hem ondervraagt over het lot
15 I, 1,9 | en ook door de aarde, die hem haar vruchten weigert (vgl.
16 I, 1,9 | en onbestendigheid zullen hem altijd vergezellen. ~God
17 I, 1,9 | voorkomen dat ieder die hem ontmoette, hem doden zou”(
18 I, 1,9 | ieder die hem ontmoette, hem doden zou”(Gn 4,15). Hij
19 I, 1,9 | doden zou”(Gn 4,15). Hij gaf hem dus een teken, niet met
20 I, 1,9 | niet met de bedoeling om hem te veroordelen tot vervloeking
21 I, 1,9 | de andere mensen, maar om hem te beschermen en te verdedigen
22 I, 1,9 | verdedigen tegen degenen die hem misschien wilden doden om
23 I, 4,21 | vervloeking die God over hem uitspreekt, keert Kaïn zich
24 I, 4,21 | ver te moeten blijven”van Hem. Als Kaïn in staat is te
25 I, 4,24 | stad kunnen bouwen zonder Hem, “liep hun denken op niets
26 I, 5,28 | stem te gehoorzamen en aan Hem gehecht te blijven, want
27 II, 1,29 | de apostel Thomas, en in hem aan iedere mens, met de
28 II, 1,30 | gericht op de Heer Jezus van Hem nog eens “de woorden van
29 II, 2,31 | hernieuwd vertrouwen, om bij Hem effectieve hulp te vinden: “
30 II, 2,31 | is het licht gegeven aan hem die in ellende is, en leven
31 II, 3,32 | verminderd”is, horen zo van Hem het goede nieuws van Gods
32 II, 3,32 | zieken en uitgestotenen, die Hem volgen en Hem zoeken (vgl.
33 II, 3,32 | uitgestotenen, die Hem volgen en Hem zoeken (vgl.Mt 4,23-25)
34 II, 3,32 | stonden, want God was met Hem”(Hnd 10,38), dan is zij
35 II, 3,32 | gek. Het leven ontglipt hem, en hij zal het zeer spoedig
36 II, 3,33 | kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de
37 II, 3,33 | God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven
38 II, 3,33 | kruis kan Hij dan ook tot Hem zeggen: “Vader, in uw handen
39 II, 4,34 | gebaseerd op de innige band die hem verenigt met zijn Schepper:
40 II, 4,34 | de mens en alles is aan hem onderworpen: “Bevolk de
41 II, 4,34 | nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden, om
42 II, 4,34 | de dingen; deze zijn aan hem onderworpen en toevertrouwd
43 II, 4,34 | onbederflijkheid en maakte hem naar het beeld van zijn
44 II, 4,35 | Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, en de zoon van de
45 II, 4,35 | zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, vraagt de Psalmist (
46 II, 4,35 | zijn grootheid: “U hebt hem weinig minder gemaakt dan
47 II, 4,35 | gemaakt dan een god, en kroont hem met heerlijkheid en eer”(
48 II, 4,35 | gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust,
49 II, 4,35 | begiftigd met rede, in staat Hem na te volgen, om te trachten
50 II, 4,35 | genade. In deze gaven van Hem rust God uit, die gezegd
51 II, 4,35 | zal ik rusten, tenzij op hem die nederig is, gebroken
52 II, 5,37 | Het leven dat altijd “in Hem”was, en dat is “het licht
53 II, 5,37 | zijn liefde: “Aan allen die Hem opnamen, die geloofden in
54 II, 5,37 | wil bereiken waarvoor God hem geschapen heeft: “Tenzij
55 II, 5,37 | Jezus en in gemeenschap met Hem komt, heeft eeuwig leven (
56 II, 5,37 | kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus
57 II, 5,38 | zullen zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is”(1 Joh
58 II, 5,38 | kennis van en liefde voor Hem. In het licht van deze waarheid
59 II, 5,38 | zichzelf toont, waar we Hem ontmoeten en waar wij in
60 II, 5,38 | waar wij in gemeenschap met Hem komen. Het leven dat Jezus
61 II, 6,40 | als iets dat niet van hem is, omdat het eigendom en
62 II, 6,41 | Tot de rijke jongeman die Hem vraagt: “Rabbi, wat voor
63 II, 6,41 | degene die verplicht is hem te beminnen (vgl.Mt 5,38-
64 II, 6,41 | Mt 5,38-48; Lc 6,27-35), hem “goed te doen”(vgl.Lc 6,
65 II, 7,42 | toevertrouwt, wanneer Hij hem roept als zijn levende beeld
66 II, 7,42 | van zijn Schepper: “U hebt hem heerschappij gegeven over
67 II, 7,43 | verantwoordelijkheid die hem gegeven is voor het menselijk
68 II, 7,43 | mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis met God.
69 II, 7,43 | vader van een zoon die op hem leek en zijn beeld was,
70 II, 7,43 | zijn beeld was, en noemde hem Seth”(Gn 5,1-3). Precies
71 II, 8,45 | hij zijn moeder ook met Hem”36. ~
72 II, 9,46 | 5), en hij aanvaardt van Hem ook het sterven: “Dit is
73 II, 9,46 | geloof te hernieuwen in Hem die “alle ziekten geneest”(
74 II, 9,46 | doodsverlangen, maar doet hem hoopvol uitroepen: “Ik heb
75 II, 9,47 | de gelovige, vooral waar hem gevraagd wordt zijn leven
76 II, 9,47 | Meester en treedt hen die hem stenigen tegemoet met woorden
77 II, 11 | Ze zullen opzien naar Hem die zij doorstoken hebben”(
78 II, 11,50 | stilhouden met ieder van u om Hem die doorstoken is te beschouwen,
79 II, 11,50 | doorstoken is te beschouwen, Hem die alle mensen naar zich
80 II, 11,50 | middenin dit alles, toen hij Hem “op deze wijze zag sterven”,
81 II, 11,50 | antwoordt de misdadiger die Hem vraagt om hem te gedenken
82 II, 11,50 | misdadiger die Hem vraagt om hem te gedenken in zijn koninkrijk: “
83 II, 11,50 | wordt - door op te zien naar Hem die doorstoken is - de zekere
84 III, 1,52 | En zie, iemand kwam naar Hem toe en zei: “Meester, wat
85 III, 1,52 | aanhaalt voor de jongeman die Hem vraagt welke geboden hij
86 III, 1,52 | geschapen naar het beeld van Hem die het heelal bestuurt.
87 III, 2,53 | mens te misleiden voert hij hem naar zijn doelen van zonde
88 III, 2,54 | maken soms vereist dat men hem doodt. In dit geval wordt
89 III, 3,57 | provocatus kenmerken die hem bijzonder ernstig en verwerpelijk
90 III, 3,57 | omschrijft abortus omschrijft hem, samen met kinderdoding,
91 III, 3,57 | elementen beschouwt die hem kenmerken. Hier wordt een
92 III, 3,59 | over vrijwillige abortus en hem dus niet direct en specifiek
93 III, 3,59 | moederschoot aan God toe die hem zoekt en kent, die hem met
94 III, 3,59 | die hem zoekt en kent, die hem met zijn eigen handen modelleert
95 III, 3,59 | modelleert en vormt, die naar hem kijkt wanneer hij een nietig
96 III, 3,59 | vormloos embryo is en die in hem reeds de volwassene van
97 III, 3,60 | misdaad is, en moedigt zij hem die hem begaat aan om onverwijld
98 III, 3,60 | en moedigt zij hem die hem begaat aan om onverwijld
99 III, 4,62 | eisen dat de maatschappij hem de wegen en middelen garandeert
100 III, 4,64 | overlevering van de Kerk heeft hem altijd als ernstig kwade
101 III, 4,65 | Intuïtief geeft zijn hart hem het juiste oordeel, wanneer
102 III, 4,65 | het is de overwinning van Hem die, door zijn verlossende
103 III, 4,65 | zonde”(Rom 6,23), en die hem de Geest heeft gegeven,
104 III, 4,65 | met de dood in het door Hem gewilde en vastgestelde “
105 III, 4,65 | in de Heer, volkomen op Hem lijken (vgl. Fil 3,10; 1Pe
106 III, 5,70 | bestaat juist om in dienst van hem te staan. Daaruit volgt
107 III, 5,71 | De kracht en de moed van hem die bereid is ook de gevangenis
108 IV, 1,76 | Apostelen ontvangen, die door Hem uitgezonden werden in de
109 IV, 1,77 | en door de doop deel van Hem geworden (vgl. Rom 6,4-5;
110 IV, 1,77 | die ook niet minder. Aan hem is het gebod van de Heer
111 IV, 2,78 | des levens”(1Joh 1,1). In Hem “werd het leven zichtbaar
112 IV, 2,79 | diepe verbondendenheid met Hem en ons opent voor de zekere
113 IV, 3,81 | 14). Het is de visie van hem die het leven in zijn diepte
114 IV, 3,81 | begrijpt. Het is de visie van hem, die zich niet aanmatigt
115 IV, 3,84 | het geschenk terug dat u Hem hebt gegeven. Want Hij heeft
116 IV, 3,84 | leven terug te geven dat u Hem als offer hebt aangeboden”112. ~
117 IV, 4 | geloof heeft, maar de werken hem ontbreken?”(Jak 2,14): het
118 IV, 4,85 | geloof heeft, maar de werken hem ontbreken? Kan soms het
119 IV, 4,85 | ontbreken? Kan soms het geloof hem redden? Wanneer een broeder
120 IV, 4,85 | meest behoeftig. Doordat wij hem die honger heeft, dorst
121 Slot, 0,100| geboren”(vgl.Js 9,6), om in Hem “het leven”te overwegen “
122 Slot, 1,101| moederschap van Maria, die Hem ontving en droeg, die is “
123 Slot, 1,101| bieden aan Christus: “In Hem was leven en het leven was
124 Slot, 1,101| afwijzing van Jezus en met Hem die van Maria samen, een
125 Slot, 1,101| zij offert Jezus, geeft Hem over, en brengt Hem eens
126 Slot, 1,101| geeft Hem over, en brengt Hem eens voor altijd ter wereld
127 Slot, 2,102| Zoon te redden van hen die Hem vrezen als een gevaarlijke
128 Slot, 3,103| verzekert de Kerk ons dat in Hem de krachten van de dood
|