Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | een blijde mededeling: “Ik verkondig u een grote vreugde
2 Inl, 0,1 | presenteert, zegt Jezus: “Ik ben gekomen opdat zij het
3 Inl, 2,3 | Dertig jaar later maak ik de woorden van de concilievaders
4 Inl, 2,3 | krachtige aanklacht verhef ik, in naam van de hele Kerk,
5 Inl, 2,3 | Kerk, in de zekerheid dat ik het authentieke gevoelen
6 Inl, 3,5 | vandaag bedreigen. ~Toen ik dit verzoek kreeg heb ik
7 Inl, 3,5 | ik dit verzoek kreeg heb ik met Pinksteren 1991 een
8 Inl, 3,5 | een speciaal document 6. Ik ben alle bisschoppen ten
9 Inl, 3,5 | In dezelfde brief heb ik, enkele dagen na de viering
10 Inl, 3,6 | vriendschap met allen, wil ik het Evangelie van het leven
11 Inl, 3,6 | op onze weg. ~En terwijl ik terugdenk aan de rijke ervaring
12 Inl, 3,6 | Jaar van het Gezin, kijk ik, a.h.w. in gedachten de
13 Inl, 3,6 | de brief aanvullend die ik “aan iedere concrete familie
14 Inl, 3,6 | huisgemeenschappen en wens ik dat op ieder niveau de taak
15 Inl, 3,6 | en voor het leven, richt ik een zeer dringende uitnodiging
16 I, 1,7 | broer Abel?”Hij antwoordde: “Ik weet het niet. Ben ik soms
17 I, 1,7 | Ik weet het niet. Ben ik soms mijn broeders hoeder?”
18 I, 1,7 | van de bebouwde grond, en ik zal ver van U moeten blijven.
19 I, 1,7 | ver van U moeten blijven. Ik zal een zwerver en een vagebond
20 I, 1,8 | vragen, de vraag hooghartig: “Ik weet het niet. Moet ik soms
21 I, 1,8 | Ik weet het niet. Moet ik soms op mijn broer passen?”(
22 I, 1,8 | broer passen?”(Joh 4,9). “Ik weet het niet”: Kaïn probeert
23 I, 1,8 | rechtvaardigen en te maskeren. “Moet ik soms op mijn broer passen?”:
24 I, 2,17 | gezondheidszorg. ~Zoals ik met nadruk heb gesteld in
25 I, 3 | Ben ik mijn broeders hoeder?”(Gn
26 I, 3,19 | geïnterpreteerd worden: “Ik weet het niet; ben ik mijn
27 I, 3,19 | Ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?”(Gn
28 I, 3,20 | ontwikkeling van het eigen ik begrepen wordt in termen
29 I, 3,20 | vrijheid: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: ieder die zonde bedrijft
30 I, 4 | Ik zal ver van U moeten blijven”(
31 I, 4,21 | vandaag van deze grond; en ik zal ver van U moeten blijven;
32 I, 4,21 | ver van U moeten blijven; ik zal een zwerver en een vagebond
33 I, 4,21 | profeet Nathan, uitriep: “Ik ben mij bewust dat ik schuld
34 I, 4,21 | Ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet
35 I, 4,21 | schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb mij aan; tegen
36 I, 4,21 | Gij doorziet het kwaad dat ik deed”(Ps 51,5-6). ~
37 I, 5,28 | luid en duidelijk: “Zie, ik houd u leven en geluk voor,
38 I, 5,28 | leven en dood houd ik u voor, zegen en vervloeking;
39 I, 5,28 | van de Heer uw God, die ik u heden geef, door de Heer
40 II | Hoofdstuk II~Ik ben gekomen opdat zij leven
41 II, 1,29 | iedere mens, met de woorden: “Ik ben de Weg, de Waarheid
42 II, 1,29 | de zuster van Lazarus: “Ik ben de Verrijzenis en het
43 II, 1,29 | te maken van deze gave: “Ik ben gekomen opdat zij het
44 II, 2,31 | effectieve hulp te vinden: “Ik heb u gevormd, u bent mijn
45 II, 2,31 | vertrouwen en aanbidding: “Ik weet dat U alles kunt en
46 II, 3,32 | Jeruzalem, met de woorden: “Ik heb geen zilver en goud,
47 II, 3,32 | zilver en goud, maar wat ik heb geef ik je: in de Naam
48 II, 3,32 | goud, maar wat ik heb geef ik je: in de Naam van Jezus
49 II, 3,32 | dokter nodig, maar de zieken; ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen,
50 II, 3,33 | Vader, in uw handen beveel ik mijn geest”(Lc 23,46), d.
51 II, 4,35 | gezegd heeft: “Op wie zal ik rusten, tenzij op hem die
52 II, 4,35 | mijn woord?”(Js 66,1-2). Ik dank de Heer onze God die
53 II, 5,38 | uiteindelijke bestemming: “Ik ben de verrijzenis en het
54 II, 6 | Van de mens zal ik rekenschap vragen over zijn
55 II, 6,39 | Ook uw eigen bloed zal ik terugeisen, en ook van de
56 II, 6,39 | de mensen onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen”(
57 II, 6,39 | Hij alleen kan zeggen: “Ik ben het die zowel de dood
58 II, 6,39 | opneemt, voedt en verzorgt: “Ik liet mijn ziel bedaren en
59 II, 6,41 | Rabbi, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven
60 II, 6,41 | zijn voor het gerecht. Maar ik zeg u, dat alwie vertoornd
61 II, 6,41 | providentiële liefde van God: “Maar Ik zeg u: bemint uw vijanden
62 II, 7,43 | tegenwoordig stelt. Zoals ik in mijn Brief aan de Gezinnen
63 II, 7,43 | tussenkomst, roept Eva uit: “Ik heb een man gekregen met
64 II, 8,44 | God de Schepper. ~“Vóór Ik je vormde in de moederschoot
65 II, 8,44 | in de moederschoot kende Ik jou en vóór je geboren werd
66 II, 8,44 | vóór je geboren werd wijdde Ik je aan Mij toe”(Jr 1,5):
67 II, 8,44 | nieuw leven na de dood: “Ik weet niet hoe jullie in
68 II, 8,44 | schoot gevormd zijn; niet ik heb jullie de levensadem
69 II, 8,44 | levensadem geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit
70 II, 9 | Ik heb geloofd ook toen ik
71 II, 9 | Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik
72 II, 9 | ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10): leven
73 II, 9,46 | verlaat mij niet, opdat ik uw macht verkondig, aan
74 II, 9,46 | een schaduw in de avond; ik verdor als het gras (Ps
75 II, 9,46 | hem hoopvol uitroepen: “Ik heb geloofd ook toen ik
76 II, 9,46 | Ik heb geloofd ook toen ik zei: “Al te zeer ben ik
77 II, 9,46 | ik zei: “Al te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10); “
78 II, 9,46 | getroffen”(Ps 116,10); “Ik heb, Heer, mijn God, tot
79 II, 9,46 | mij hadt herschapen ben ik het graf ontgaan”(Ps 30,
80 II, 10,48 | aangeboden als de levensweg: “Ik houd u vandaag het leven
81 II, 10,48 | van de Heer, uw God, die ik u heden geeft, als u de
82 II, 10,49 | die zuivert en vernieuwt: “Ik zal u met zuiver water besprenkelen
83 II, 10,49 | van al uw afgoderij zal ik u reinigen. Een nieuw hart
84 II, 10,49 | reinigen. Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest
85 II, 11,50 | leven hebben overwogen, wil ik graag stilhouden met ieder
86 II, 11,50 | zijn koninkrijk: “Voorwaar, Ik zeg u, heden zult ge met
87 II, 11,51 | mij diep ontroert wanneer ik haar overweeg. “Toen Jezus
88 II, 11,51 | komst in de wereld zei: “Ik ben gekomen, God, om uw
89 III, 1,52 | Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven
90 III, 2 | leven van de mens vraag ik rekenschap van de mens”(
91 III, 2,53 | Ex 20,13; Dt 5,17). Zoals ik al heb onderstreept bevindt
92 III, 2,56 | katholieke Kerk, verklaar ik daarom dat het directe en
93 III, 3 | Uw ogen zagen hoe ik ontstond”(Ps 139,16): de
94 III, 3,58 | opbouwen en verdedigen. Zoals ik schreef in mijn Brief aan
95 III, 3,58(59)| Jahwe kwam tot mij: “Voordat ik u in de moederschoot vormde,
96 III, 3,58(59)| moederschoot vormde, kende ik u, en voordat ge geboren
97 III, 3,58(59)| ge geboren werd, bestemde ik u voor Mij; als profeet
98 III, 3,58(59)| profeet voor de volken heb ik u aangewezen””(1,4-5). Van
99 III, 3,58(59)| deze woorden: “Op U heb ik gesteund vanaf mijn geboorte;
100 III, 3,60 | hebben betoond - verklaar ik daarom dat rechtstreekse
101 III, 4 | Ik ben het die doodt en die
102 III, 4,63 | onderscheidingen bevestig ik in overeenstemming met het
103 III, 4,64 | macht over leven en dood: “Ik ben het die dood en leven
104 III, 4,65 | geroepen wordt: “Nu verheug ik mij in het lijden dat ik
105 III, 4,65 | ik mij in het lijden dat ik voor u verdraag. Voor het
106 III, 4,65 | Christus, de Kerk, voltooi ik in mijn aardse leven dat,
107 IV, 1,76 | Apostel: “Wee mij, wanneer ik het Evangelie niet verkondig”(
108 IV, 3 | Ik prijs u, dat u mij zo wonderbaar
109 IV, 3,82 | vreugde roepen wij uit: “Ik prijs U, dat U mij zo wonderbaar
110 IV, 3,83 | In dit perspectief neem ik ook de door de kardinalen
111 IV, 3,83 | gedane suggestie over en stel ik voor dat men in de verschillende
112 IV, 4,88 | denk- en gedragspatronen. Ik herhaal nog eens dat een
113 IV, 4,88 | wet kan hebben. Daarom doe ik nog eens een dringend appel
114 IV, 6,94 | vrijheid en waarheid. Zoals ik vaak naar voren heb gebracht,
115 IV, 6,95 | In dat perspectief heb ik besloten tot de jaarlijkse
116 IV, 6,95 | Werelddag van de Zieken, waarbij ik “de heilswaarde van de opoffering
117 IV, 6,96 | Juist voor dit doel heb ik de Pauselijke Academie voor
118 IV, 6,97 | uitdrukking te brengen. ~Ik herneem de woorden van de
119 IV, 6,97 | een echte cultuuromslag. ~Ik zou nu een speciale gedachte
120 IV, 6,98 | iedere man en vrouw, herhaal ik vandaag voor allen wat ik
121 IV, 6,98 | ik vandaag voor allen wat ik gezegd heb tegen de gezinnen
122 Slot, 2,102 | op”(Mt 18,5); “Voorwaar, Ik zeg u, wat u gedaan hebt
|