Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
datzelfde 1
david 2
davidis 1
de 3455
decaloog 2
december 12
decreet 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
3455 de
2476 van
2114 het
1854 en
Ioannes Paulus PP. II
Evangelium Vitae

IntraText - Concordances

de

1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3455

     Chapter, Paragraph, Number
1001 II, 3,32 | allen genezend die onder de macht van de duivel stonden, 1002 II, 3,32 | genezend die onder de macht van de duivel stonden, want God 1003 II, 3,32 | nieuwheid precies temidden van de ontberingen en de armoede 1004 II, 3,32 | temidden van de ontberingen en de armoede van het menselijk 1005 II, 3,32 | weerklinkt. Petrus genas de kreupele die dagelijks aalmoezen 1006 II, 3,32 | dagelijks aalmoezen vroeg bij deSchone Poort”van de tempel 1007 II, 3,32 | bij de “Schone Poort”van de tempel in Jeruzalem, met 1008 II, 3,32 | tempel in Jeruzalem, met de woorden: “Ik heb geen zilver 1009 II, 3,32 | wat ik heb geef ik je: in de Naam van Jezus Christus 1010 II, 3,32 | Door het geloof in Jezus, “de Leidsman ten leven”(Hnd 1011 II, 3,32 | eigenwaarde en volle waardigheid. ~De woorden en daden van Jezus 1012 II, 3,32 | veronachtzaamd zijn door de maatschappij. Op een dieper 1013 II, 3,32 | een dieper vlak raken zij de ware betekenis van het leven 1014 II, 3,32 | getekend is door het kwaad van de zonde, kunnen in een ontmoeting 1015 II, 3,32 | een ontmoeting met Jezus de Redder de waarheid en de 1016 II, 3,32 | ontmoeting met Jezus de Redder de waarheid en de authenticiteit 1017 II, 3,32 | de Redder de waarheid en de authenticiteit van hun eigen 1018 II, 3,32 | geen dokter nodig, maar de zieken; ik ben niet gekomen 1019 II, 3,32 | ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar de 1020 II, 3,32 | de rechtvaardigen, maar de zondaars op te roepen tot 1021 II, 3,32 | berouw”(Lc 5,31-32). ~Maar de mens die, zoals de rijke 1022 II, 3,32 | Maar de mens die, zoals de rijke landeigenaar in de 1023 II, 3,32 | de rijke landeigenaar in de parabel, denkt dat hij zijn 1024 II, 3,32 | alleen, houdt zichzelf voor de gek. Het leven ontglipt 1025 II, 3,32 | jou je ziel opgeëist. En de dingen die je hebt bereid, 1026 II, 3,33 | bijzondere “dialectiek”tussen de ervaring van de onzekerheid 1027 II, 3,33 | dialectiek”tussen de ervaring van de onzekerheid van het menselijk 1028 II, 3,33 | van het menselijk leven en de bevestiging van zijn waarde. 1029 II, 3,33 | wordt zeker aanvaard door de rechtvaardigen, die instemmen 1030 II, 3,33 | is ook, vanaf het begin, de afwijzing door een wereld 1031 II, 3,33 | onaangedaan blijft t.a.v. de vervulling van het mysterie 1032 II, 3,33 | mysterie van dit leven dat in de wereld komt: “er was geen 1033 II, 3,33 | geen plaats voor hen in de herberg”(Lc 2,7). In deze 1034 II, 3,33 | bedreigingen en onzekerheid aan de ene kant en de macht van 1035 II, 3,33 | onzekerheid aan de ene kant en de macht van Gods gaven aan 1036 II, 3,33 | macht van Gods gaven aan de andere kant, straalt des 1037 II, 3,33 | straalt des te helderder de heerlijkheid door, die uitgaat 1038 II, 3,33 | huis in Nazareth en van de kribbe in Bethlehem: dit 1039 II, 3,33 | geboren, betekent redding voor de hele mensheid (vgl.Lc 2, 1040 II, 3,33 | mensheid (vgl.Lc 2,11). ~De tegenstellingen en risico” 1041 II, 3,33 | zoudt worden”(2 Kor 8,9). De armoede waarvan Paulus spreekt 1042 II, 3,33 | voorrechten, maar ook deelname aan de laagste en kwetsbaarste 1043 II, 3,33 | zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de dood 1044 II, 3,33 | gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis. Daarom 1045 II, 3,33 | Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven 1046 II, 3,33 | dood openbaart Jezus heel de schittering en waarde van 1047 II, 3,33 | zijn zelfgave aan het kruis de bron wordt van nieuw leven 1048 II, 3,33 | wordt Jezus geleid door de zekerheid dat zijn leven 1049 II, 3,33 | zijn leven in handen is van de Vader. Aan het kruis kan 1050 II, 3,33 | leven. Waarlijk groot moet de waarde van het menselijk 1051 II, 3,33 | menselijk leven zijn als de Zoon van God het aangenomen 1052 II, 3,33 | gemaakt heeft tot middel voor de redding van de hele mensheid! ~ 1053 II, 3,33 | middel voor de redding van de hele mensheid! ~ 1054 II, 4 | schijnt op het gelaat van de mens~ 1055 II, 4,34 | zelfs een ervaringsfeit, en de mens wordt geroepen om de 1056 II, 4,34 | de mens wordt geroepen om de diepe reden daarvan te begrijpen. ~ 1057 II, 4,34 | vraag vindt men overal in de Bijbel, en vanaf de allereerste 1058 II, 4,34 | overal in de Bijbel, en vanaf de allereerste bladzijde krijgt 1059 II, 4,34 | antwoord. Het leven dat God aan de mens geeft is geheel verschillend 1060 II, 4,34 | levende schepselen, omdat de mens, ofschoon gevormd uit 1061 II, 4,34 | gevormd uit het stof van de aarde (vgl.Gn 2,7; 3,19; 1062 II, 4,34 | manifestatie is van God in de wereld, een teken van zijn 1063 II, 4,34 | 27; Ps 8,6). Dit is wat de H. Ireneüs van Lyon wilde 1064 II, 4,34 | beroemde omschrijving: “de levende mens is de heerlijkheid 1065 II, 4,34 | omschrijving: “de levende mens is de heerlijkheid van God23. 1066 II, 4,34 | heerlijkheid van God23. Aan de mens is een sublieme waardigheid 1067 II, 4,34 | waardigheid gegeven, gebaseerd op de innige band die hem verenigt 1068 II, 4,34 | verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een weerspiegeling 1069 II, 4,34 | schittert een weerspiegeling van de werkelijkheid van God zelf. ~ 1070 II, 4,34 | eerste scheppingsverslag de mens plaatst als hoogtepunt 1071 II, 4,34 | scheppende activiteit, als de bekroning ervan, aan het 1072 II, 4,34 | volmaakte schepsel. Alles in de schepping is bestemd voor 1073 II, 4,34 | schepping is bestemd voor de mens en alles is aan hem 1074 II, 4,34 | hem onderworpen: “Bevolk de aarde en onderwerp haar; 1075 II, 4,34 | dit is Gods bevel aan de man en de vrouw. Een soortgelijke 1076 II, 4,34 | Gods bevel aan de man en de vrouw. Een soortgelijke 1077 II, 4,34 | tweede scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en 1078 II, 4,34 | scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en plaatste hem in 1079 II, 4,34 | mens en plaatste hem in de tuin van Eden, om die te 1080 II, 4,34 | bevestiging van het primaat van de mens over de dingen; deze 1081 II, 4,34 | primaat van de mens over de dingen; deze zijn aan hem 1082 II, 4,34 | niveau van een ding. ~In de bijbelse vertelling wordt 1083 II, 4,34 | wordt het verschil tussen de mens en andere schepselen 1084 II, 4,34 | door het feit dat alleen de schepping van de mens gepresenteerd 1085 II, 4,34 | alleen de schepping van de mens gepresenteerd wordt 1086 II, 4,34 | speciale beslissing van de kant van God, een besluit 1087 II, 4,34 | specifieke verbintenis met de Schepper te te creëren: “ 1088 II, 4,34 | te te creëren: “Laat ons de mens maken naar ons beeld 1089 II, 4,34 | 1,26). Het leven dat God de mens aanbiedt is een gave 1090 II, 4,34 | zou uitvoerig zoeken naar de betekenis van deze bijzondere 1091 II, 4,34 | bijzondere verbintenis tussen de mens en God. Ook het boek 1092 II, 4,34 | Sirach erkent dat God bij de schepping van de mensen “ 1093 II, 4,34 | God bij de schepping van de mensenhen begiftigde met 1094 II, 4,34 | zijn eigen beeld”(17,3). De bijbelse schrijver ziet 1095 II, 4,34 | van dit beeld niet alleen de heerschappij van de mens 1096 II, 4,34 | alleen de heerschappij van de mens over de wereld, maar 1097 II, 4,34 | heerschappij van de mens over de wereld, maar ook die geestelijke 1098 II, 4,34 | het meest eigen zijn aan de mens, zoals het verstand, 1099 II, 4,34 | tussen goed en kwaad, en de vrije wil: “Hij vulde hen 1100 II, 4,34 | verwerven zijn voorrechten van de mens geschapen naar het 1101 II, 4,34 | zijn Schepper, God, die de ware en rechtvaardige is ( 1102 II, 4,34 | zichtbare schepselen, is alleen de mensin staat om zijn Schepper 1103 II, 4,34(23) | Dei vivens homo”: Tegen de ketterijen, IV, 20, 7: SCh 1104 II, 4,34 | beminnen24. Het leven dat God de mens geeft is veel meer 1105 II, 4,34 | dan een louter bestaan in de tijd. Het is een streven 1106 II, 4,34 | Het is een streven naar de volheid van leven; het is 1107 II, 4,34 | volheid van leven; het is de kiem van een bestaan dat 1108 II, 4,34 | kiem van een bestaan dat de grenzen van de tijd zelf 1109 II, 4,34 | bestaan dat de grenzen van de tijd zelf overstijgt: “Want 1110 II, 4,34 | overstijgt: “Want God schiep de mens voor de onbederflijkheid 1111 II, 4,34 | God schiep de mens voor de onbederflijkheid en maakte 1112 II, 4,34(24) | Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld 1113 II, 4,34(24) | constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et 1114 II, 4,35 | Het scheppingsverhaal van de Jahwist drukt dezelfde overtuiging 1115 II, 4,35 | een goddelijke adem die in de mens wordt geblazen opdat 1116 II, 4,35 | opdat hij tot leven komt: “De Heer God vormde de mens 1117 II, 4,35 | komt: “De Heer God vormde de mens uit het stof van de 1118 II, 4,35 | de mens uit het stof van de grond en ademde in zijn 1119 II, 4,35 | ademde in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd 1120 II, 4,35 | neusgaten de levensadem en de mens werd een levend wezen”( 1121 II, 4,35 | levend wezen”(Gn 2,7). ~De goddelijke oorsprong van 1122 II, 4,35 | deze levensgeest verklaart de eeuwige onvoldaanheid die 1123 II, 4,35 | eeuwige onvoldaanheid die de mens voelt zolang hij op 1124 II, 4,35 | merkteken van God draagt, wordt de mens van nature naar God 1125 II, 4,35 | toegetrokken. Wanneer hij de diepe verlangens van zijn 1126 II, 4,35 | hoort, moet iedere mens de woorden van waarheid tot 1127 II, 4,35 | woorden van waarheid tot de zijne maken die Sint Augustinus 1128 II, 4,35 | U25. ~Vol betekenis is de onvoldaanheid die het leven 1129 II, 4,35 | onvoldaanheid die het leven van de mens in Eden tekent zolang 1130 II, 4,35 | zijn enige referentiepunt de wereld van planten en dieren 1131 II, 4,35 | is (vgl.Gn 2,20). Alleen de verschijning van de vrouw, 1132 II, 4,35 | Alleen de verschijning van de vrouw, een wezen dat vlees 1133 II, 4,35 | vgl.Gn 2,23), en in wie de geest van God de Schepper 1134 II, 4,35 | in wie de geest van God de Schepper ook levend is, 1135 II, 4,35 | Schepper ook levend is, kan de behoefte aan intermenselijke 1136 II, 4,35 | het menselijk bestaan. In de ander, man of vrouw, is 1137 II, 4,35 | het definitieve doel en de vervulling van iedere persoon. ~“ 1138 II, 4,35 | iedere persoon. ~“Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, 1139 II, 4,35 | dat Gij aan hem denkt, en de zoon van de mens dat gij 1140 II, 4,35 | hem denkt, en de zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, 1141 II, 4,35 | gij hem aanziet?”, vraagt de Psalmist (Ps 8,5). Vergeleken 1142 II, 4,35 | Ps 8,5). Vergeleken met de onmetelijkheid van het heelal 1143 II, 4,35 | onmetelijkheid van het heelal is de mens erg klein; en toch 1144 II, 4,35 | heerlijkheid en eer”(Ps 8,6). De heerlijkheid van God licht 1145 II, 4,35 | licht op in het gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper 1146 II, 4,35 | van de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust, zoals 1147 II, 4,35 | Schepper zijn rust, zoals de H. Ambrosius met ontzag 1148 II, 4,35 | en bewogenheid opmerkt: “De zesde dag is afgelopen en 1149 II, 4,35 | zesde dag is afgelopen en de schepping van de wereld 1150 II, 4,35 | afgelopen en de schepping van de wereld eindigt met de vorming 1151 II, 4,35 | van de wereld eindigt met de vorming van dat meesterwerk 1152 II, 4,35 | van dat meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij 1153 II, 4,35 | meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij uitoefent over 1154 II, 4,35 | schepselen en als het ware de kroon is van het heelal 1155 II, 4,35 | kroon is van het heelal en de hoogste schoonheid van ieder 1156 II, 4,35 | moeten bewaren, aangezien de Heer rustte van ieder werk 1157 II, 4,35 | dat Hij had ondernomen in de wereld. Hij rustte toen 1158 II, 4,35 | wereld. Hij rustte toen in de diepten van de mens. Hij 1159 II, 4,35 | rustte toen in de diepten van de mens. Hij rustte in de geest 1160 II, 4,35 | van de mens. Hij rustte in de geest van de mens en in 1161 II, 4,35 | Hij rustte in de geest van de mens en in zijn denken; 1162 II, 4,35 | zijn denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd 1163 II, 4,35 | woord?”(Js 66,1-2). Ik dank de Heer onze God die een zo 1164 II, 4,36 | verbazende plan overschaduwd door de verschijning van de zonde 1165 II, 4,36 | door de verschijning van de zonde in de geschiedenis. 1166 II, 4,36 | verschijning van de zonde in de geschiedenis. Door de zonde 1167 II, 4,36 | in de geschiedenis. Door de zonde rebelleert de mens 1168 II, 4,36 | Door de zonde rebelleert de mens tegen zijn Schepper 1169 II, 4,36 | schepselen: “Ze vervingen de waarheid over God door een 1170 II, 4,36 | het schepsel liever dan de Schepper”(Rom 1,25). Als 1171 II, 4,36 | gevolg daarvan vervormt de mens niet alleen het beeld 1172 II, 4,36 | wordt als God, dan wordt de diepe betekenis van de mens 1173 II, 4,36 | wordt de diepe betekenis van de mens verraden en wordt de 1174 II, 4,36 | de mens verraden en wordt de gemeenschap onder de mensen 1175 II, 4,36 | wordt de gemeenschap onder de mensen aangetast. ~In het 1176 II, 4,36 | aangetast. ~In het leven van de mens licht Gods beeld opnieuw 1177 II, 4,36 | geopenbaard in al zijn volheid met de komst van de Zoon van God 1178 II, 4,36 | volheid met de komst van de Zoon van God in het menselijk 1179 II, 4,36 | Christus is het beeld van de onzichtbare God”(Kol 1,15), “ 1180 II, 4,36 | 1,15), “Hij weerspiegelt de heerlijkheid van God en 1181 II, 4,36 | het volmaakte beeld van de Vader. ~Het plan van het 1182 II, 4,36 | plan van het leven dat aan de eerste Adam werd gegeven, 1183 II, 4,36 | vervulling in Christus. Waar de ongehoorzaamheid van Adam 1184 II, 4,36 | vernield en verduisterd en de dood in de wereld had gebracht, 1185 II, 4,36 | verduisterd en de dood in de wereld had gebracht, is 1186 II, 4,36 | wereld had gebracht, is de verlossende gehoorzaamheid 1187 II, 4,36 | gehoorzaamheid van Christus de bron van genade die over 1188 II, 4,36 | waarbij ze voor iedereen de poorten van het koninkrijk 1189 II, 4,36 | vgl.Rom 5,12-21). Zoals de apostel Paulus stelt: “De 1190 II, 4,36 | de apostel Paulus stelt: “De eerste mens, Adam, werd 1191 II, 4,36 | werd een levend wezen, de laatste Adam werd een levendmakende 1192 II, 4,36 | Christus te volgen, ontvangen de volheid van leven: het goddelijke 1193 II, 4,36 | is het plan van God met de mensen: dat ze “gelijkvormig 1194 II, 4,36 | Rom 8,29). Alleen zo, in de schittering van dit beeld, 1195 II, 4,36 | schittering van dit beeld, kan de mens bevrijd worden van 1196 II, 4,36 | mens bevrijd worden van de slavernij van de afgodendienst, 1197 II, 4,36 | worden van de slavernij van de afgodendienst, de verloren 1198 II, 4,36 | slavernij van de afgodendienst, de verloren broederschap herstellen, 1199 II, 5 | nooit sterven”(Joh 11,26); de gave van het eeuwig leven~ 1200 II, 5,37 | 37. Het leven dat de Zoon van God aan de mensen 1201 II, 5,37 | dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen kan 1202 II, 5,37 | tot een louter bestaan in de tijd. Het leven dat altijd “ 1203 II, 5,37 | en dat ishet licht van de mensen”(Joh 1,4), bestaat 1204 II, 5,37 | door God en het delen in de volheid van zijn liefde: “ 1205 II, 5,37 | geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van God 1206 II, 5,37 | niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch 1207 II, 5,37 | van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit 1208 II, 5,37 | vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren 1209 II, 5,37 | noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken 1210 II, 5,37 | degene die neerdaalt van de hemel en leven geeft aan 1211 II, 5,37 | hemel en leven geeft aan de wereld”(Joh 6,33), aldus 1212 II, 5,37 | oproepen dat verder dan de tijd reikt. Het leven dat 1213 II, 5,37 | deelname is aan het leven van deEeuwige”. Alwie gelooft 1214 II, 5,37 | 40), omdat hij van Jezus de enige woorden hoort die 1215 II, 5,37 | hoort die aan zijn bestaan de volheid van het leven openbaren 1216 II, 5,37 | openbaren en meedelen; dit zijn dewoorden van eeuwig leven” 1217 II, 5,37 | geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent”(Joh 1218 II, 5,37 | 68-69). Wanneer Hij tot de Vader spreekt in het hogepriesterlijk 1219 II, 5,37 | leven: dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die 1220 II, 5,37 | mysterie aanvaarden van de liefhebbende gemeenschap 1221 II, 5,37 | liefhebbende gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige 1222 II, 5,37 | gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest 1223 II, 5,37 | van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in zijn eigen 1224 II, 5,38 | en tegelijk het leven van de kinderen van God. Wanneer 1225 II, 5,38 | grenzeloos dankbaar. In de woorden van de apostel Johannes 1226 II, 5,38 | dankbaar. In de woorden van de apostel Johannes kunnen 1227 II, 5,38 | zeggen: “Zie, welke liefde de Vader ons gegeven heeft! 1228 II, 5,38 | Joh 3,1-2). ~Hier bereikt de christelijke waarheid omtrent 1229 II, 5,38 | het leven het hoogtepunt. De waardigheid van dit leven 1230 II, 5,38 | waarheid preciseert en voltooit de H.Ireneüs zijn lofprijzing 1231 II, 5,38 | Ireneüs zijn lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, 1232 II, 5,38 | lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, is, inderdaad, “ 1233 II, 5,38 | van God”, is, inderdaad, “de levende mens”, maarhet 1234 II, 5,38 | mens”, maarhet leven van de mens bestaat in het zien 1235 II, 5,38 | begint te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt van 1236 II, 5,38 | nieuwe breedte en diepte in de goddelijke dimensies van 1237 II, 5,38 | goed. Op dezelfde wijze kan de liefde die ieder menselijk 1238 II, 5,38 | vreugdevol besef dat het leven deplaatskan worden waar 1239 II, 5,38 | vermindert in geen enkel opzicht de waarde van ons bestaan in 1240 II, 5,38 | waarde van ons bestaan in de tijd; het neemt het op en 1241 II, 5,38 | uiteindelijke bestemming: “Ik ben de verrijzenis en het leven(...); 1242 II, 5,38(27) | hominis visio Dei”: Tegen de ketterijen, IV, 20, 7: SCh 1243 II, 6 | Van de mens zal ik rekenschap vragen 1244 II, 6,39 | 39. Het leven van de mens komt van God; het is 1245 II, 6,39 | levensadem. God is, daarom, de enige Heer van dit leven: 1246 II, 6,39 | enige Heer van dit leven: de mens kan er niet mee doen 1247 II, 6,39 | dit duidelijk aan Noach na de zondvloed: “Ook uw eigen 1248 II, 6,39 | ik terugeisen, en ook van de mensen onderling, zal ik 1249 II, 6,39 | onderling, zal ik het leven van de mens terugeisen”(Gn 9,5). 1250 II, 6,39 | mens terugeisen”(Gn 9,5). De bijbelse tekst onderstreept 1251 II, 6,39 | onderstreept nadrukkelijk hoe de heiligheid van het leven 1252 II, 6,39 | activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar zijn beeld”( 1253 II, 6,39 | Gn 9,6). ~Het leven en de dood van de mens zijn dus 1254 II, 6,39 | Het leven en de dood van de mens zijn dus in de handen 1255 II, 6,39 | van de mens zijn dus in de handen van God, in zijn 1256 II, 6,39 | van ieder levend ding en de adem van heel de mensheid”, 1257 II, 6,39 | ding en de adem van heel de mensheid”, roept Job uit ( 1258 II, 6,39 | roept Job uit (12,10). “De Heer brengt ter dood en 1259 II, 6,39 | Hij brengt tot diep in de hel en doet opstaan”(1Sam 1260 II, 6,39 | zeggen: “Ik ben het die zowel de dood als het leven breng”( 1261 II, 6,39 | dat het menselijk leven in de handen is van God, dan is 1262 II, 6,39 | verstillen, zoals een kind aan de borst van zijn moeder, zoals 1263 II, 6,39 | 11,4). Zo ziet Israël in de geschiedenis van de volken 1264 II, 6,39 | Israël in de geschiedenis van de volken en in de bestemming 1265 II, 6,39 | geschiedenis van de volken en in de bestemming van enkelingen 1266 II, 6,39 | bestemming van enkelingen niet de afloop van louter toeval 1267 II, 6,39 | een blind lot, maar liever de resultaten van een liefdevol 1268 II, 6,39 | het leven samenbrengt en de krachten van de dood die 1269 II, 6,39 | samenbrengt en de krachten van de dood die voortkomen uit 1270 II, 6,39 | dood die voortkomen uit de zonde, bestrijdt: “God heeft 1271 II, 6,39 | zonde, bestrijdt: “God heeft de dood niet gemaakt en Hij 1272 II, 6,39 | verheugt zich niet over de dood van de levenden. Want 1273 II, 6,39 | zich niet over de dood van de levenden. Want Hij schiep 1274 II, 6,40 | 40. Uit de heiligheid van het leven 1275 II, 6,40 | staat, in zijn geweten. De vraagWat heb je gedaan?”( 1276 II, 6,40 | Abel heeft gedood, vertolkt de ervaring van iedere persoon: 1277 II, 6,40 | ervaring van iedere persoon: in de diepten van zijn geweten 1278 II, 6,40 | diepten van zijn geweten wordt de mens altijd herinnerd aan 1279 II, 6,40 | mens altijd herinnerd aan de onaantastbaarheid van het 1280 II, 6,40 | eigendom en gave is van God de Schepper en Vader. ~Het 1281 II, 6,40 | Het gebod betreffende de onaantastbaarheid van het 1282 II, 6,40 | weerklinkt in het hart van de “tien woordenin het Verbond 1283 II, 6,40 | woordenin het Verbond van de Sinaï (vgl.Ex 34,28). Op 1284 II, 6,40 | Sinaï (vgl.Ex 34,28). Op de eerste plaats verbiedt dat 1285 II, 6,40 | Testament deze betekenis van de waarde van het leven, ofschoon 1286 II, 6,40 | duidelijk aangegeven, nog niet de verfijning bereikt die men 1287 II, 6,40 | bereikt die men vindt in de Bergrede. Dat blijkt uit 1288 II, 6,40 | uit sommige aspecten van de toenmalige strafwet, die 1289 II, 6,40 | van lijfstraffen en zelfs de doodstraf kende. Maar de 1290 II, 6,40 | de doodstraf kende. Maar de alles omvattende boodschap, 1291 II, 6,40 | krachtig appel tot eerbied voor de onaantastbaarheid van het 1292 II, 6,40 | van het fysieke leven en de integriteit van de persoon. 1293 II, 6,40 | leven en de integriteit van de persoon. Het vindt zijn 1294 II, 6,41 | positieve gebod van liefde voor de naaste, wordt herbevestigd 1295 II, 6,41 | herbevestigd in al zijn kracht door de Heer Jezus. Tot de rijke 1296 II, 6,41 | door de Heer Jezus. Tot de rijke jongeman die Hem vraagt: “ 1297 II, 6,41 | binnengaan, onderhoud dan de geboden”(Mt 19,16.17). En 1298 II, 6,41 | Gij zult niet doden”. In de Bergrede vraagt Jezus van 1299 II, 6,41 | gerechtigheid die die van de schriftgeleerden en farizeers 1300 II, 6,41 | farizeers overstijgt, ook m.b.t. de eerbied voor het leven: “ 1301 II, 6,41 | gehoord dat er gezegd werd tot de ouden: Gij zult niet doden; 1302 II, 6,41 | daden laat Jezus verder de positieve vereisten zien 1303 II, 6,41 | dat betrekking heeft op de onaantastbaarheid van het 1304 II, 6,41 | het Oude Testament, waar de wetgeving de bescherming 1305 II, 6,41 | Testament, waar de wetgeving de bescherming en verdediging 1306 II, 6,41 | vreemdelingen, weduwen, wezen, de zieken en de armen in het 1307 II, 6,41 | weduwen, wezen, de zieken en de armen in het algemeen, inclusief 1308 II, 6,41 | het algemeen, inclusief de kinderen in de moederschoot ( 1309 II, 6,41 | inclusief de kinderen in de moederschoot (vgl.Ex 21, 1310 II, 6,41 | breedte en diepte. Ze gaan van de zorg voor het leven van 1311 II, 6,41 | tonen van bekommernis met de vreemdeling, zelfs tot het 1312 II, 6,41 | zelfs tot het beminnen van de vijand. ~Een vreemdeling 1313 II, 6,41 | langer een vreemdeling voor de persoon die de naaste moet 1314 II, 6,41 | vreemdeling voor de persoon die de naaste moet worden van iemand 1315 II, 6,41 | aanvaardt voor zijn leven, zoals de parabel van de barmhartige 1316 II, 6,41 | leven, zoals de parabel van de barmhartige Samaritaan zo 1317 II, 6,41 | beantwoorden (vgl.Lc 6,34-35). De hoogste graad van deze liefde 1318 II, 6,41 | bereiken we overeenstemming met de providentiële liefde van 1319 II, 6,41 | hemelse Vader: want Hij laat de zon opgaan over slechten 1320 II, 6,41 | en doet het regenen over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”( 1321 II, 6,41 | over de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen”(Mt 5,44- 1322 II, 6,41 | menselijk leven te beschermen de eis tot eerbied en liefde 1323 II, 6,41 | voor zijn leven. Dit is de leer die de Apostel Paulus, 1324 II, 6,41 | leven. Dit is de leer die de Apostel Paulus, in een herhaling 1325 II, 6,41 | Paulus, in een herhaling van de woorden van Jezus, tot de 1326 II, 6,41 | de woorden van Jezus, tot de christenen in Rome richt: “ 1327 II, 6,41 | christenen in Rome richt: “De geboden: “Gij zult niet 1328 II, 6,41 | als uzelf”. Liefde doet de naaste geen kwaad; liefde 1329 II, 6,41 | geen kwaad; liefde vervult de hele wet”(Rom 13,9-10). ~ 1330 II, 7 | vermenigvuldigt u, bevolkt de aarde en onderwerpt haar”( 1331 II, 7 | onderwerpt haar”(Gn 1,28): de verantwoordelijkheid van 1332 II, 7 | verantwoordelijkheid van de mens voor het leven~ 1333 II, 7,42 | 42. De verdediging en bevordering 1334 II, 7,42 | bevordering van het leven, de eerbiediging ervan en de 1335 II, 7,42 | de eerbiediging ervan en de liefde ervoor is een taak 1336 II, 7,42 | in zijn heerschappij over de wereld: “God zegende hen 1337 II, 7,42 | vermenigvuldigt u en bevolkt de aarde en onderwerpt haar; 1338 II, 7,42 | onderwerpt haar; en beheerst de vissen van de zee en de 1339 II, 7,42 | en beheerst de vissen van de zee en de vogels in de lucht 1340 II, 7,42 | de vissen van de zee en de vogels in de lucht en alles 1341 II, 7,42 | van de zee en de vogels in de lucht en alles wat beweegt 1342 II, 7,42 | en alles wat beweegt op de aarde””(Gn 1, 28). ~De bijbelse 1343 II, 7,42 | op de aarde””(Gn 1, 28). ~De bijbelse tekst laat duidelijk 1344 II, 7,42 | bijbelse tekst laat duidelijk de breedte en de diepte zien 1345 II, 7,42 | duidelijk de breedte en de diepte zien van de heerschappij 1346 II, 7,42 | breedte en de diepte zien van de heerschappij die God de 1347 II, 7,42 | de heerschappij die God de mens geeft. Het is in de 1348 II, 7,42 | de mens geeft. Het is in de eerste plaats een zaak van 1349 II, 7,42 | zaak van heerschappij over de aarde en over elk levend 1350 II, 7,42 | duidelijk maakt: “God van de vaderen, Heer van de ontferming (...) 1351 II, 7,42 | van de vaderen, Heer van de ontferming (...) in uw wijsheid 1352 II, 7,42 | in uw wijsheid hebt U de mens toegerust om te heersen 1353 II, 7,42 | toegerust om te heersen over de schepselen die U gemaakt 1354 II, 7,42 | schepselen die U gemaakt hebt, om de wereld te besturen in heiligheid 1355 II, 7,42 | gerechtigheid”(W 9,1.2-3). Ook de Psalmist verheerlijkt de 1356 II, 7,42 | de Psalmist verheerlijkt de heerschappij die aan de 1357 II, 7,42 | de heerschappij die aan de mens gegeven is als een 1358 II, 7,42 | heerschappij gegeven over de werken van uw handen; u 1359 II, 7,42 | schapen en runderen, en ook de dieren van het veld, de 1360 II, 7,42 | de dieren van het veld, de vogels in de lucht en de 1361 II, 7,42 | van het veld, de vogels in de lucht en de vissen in de 1362 II, 7,42 | de vogels in de lucht en de vissen in de zee, alles 1363 II, 7,42 | de lucht en de vissen in de zee, alles wat de paden 1364 II, 7,42 | vissen in de zee, alles wat de paden van de zee doorloopt”( 1365 II, 7,42 | alles wat de paden van de zee doorloopt”(Ps 8,6-8). ~ 1366 II, 7,42 | Ps 8,6-8). ~Geroepen om de tuin der wereld te verzorgen 1367 II, 7,42 | bewaken (vgl.Gn 2,15), heeft de mens een specifieke verantwoordelijkheid 1368 II, 7,42 | verantwoordelijkheid jegens de omgeving waarin hij leeft, 1369 II, 7,42 | waarin hij leeft, jegens de schepping die God ten dienste 1370 II, 7,42 | natuurlijke leefgebied van de verschillende soorten dieren 1371 II, 7,42 | levensvormen tot en met de eigenlijkemenselijke ecologie28 - 1372 II, 7,42 | menselijke ecologie28 - vindt in de Bijbel een duidelijke en 1373 II, 7,42 | van ieder leven. Immers: “de heerschappij die de Schepper 1374 II, 7,42 | Immers: “de heerschappij die de Schepper gegeven heeft aan 1375 II, 7,42 | Schepper gegeven heeft aan de mens, is geen absolute macht; 1376 II, 7,42 | willekeur te beschikken over de dingen. De beperking die 1377 II, 7,42 | beschikken over de dingen. De beperking die de Schepper 1378 II, 7,42 | dingen. De beperking die de Schepper zelf vanaf het 1379 II, 7,42 | uitgedrukt is door het verbod omde vrucht van de boom te eten”( 1380 II, 7,42 | verbod om “de vrucht van de boom te eten”(vgl Gn, 2, 1381 II, 7,42 | duidelijk aan dat wij m.b.t. de zichtbare natuur onderworpen 1382 II, 7,43 | Een zekere deelname van de mens in de heerschappij 1383 II, 7,43 | deelname van de mens in de heerschappij van God is 1384 II, 7,43 | God is ook zichtbaar in de specifieke verantwoordelijkheid 1385 II, 7,43 | haar hoogtepunt bereikt in de schenking van het leven 1386 II, 7,43 | schenking van het leven door de voortplanting door man en 1387 II, 7,43 | het is niet goed voor de mens, dat hij alleen blijft ( 1388 II, 7,43 | 18) en diein het begin de mens als man en vrouw gemaakt 1389 II, 7,43 | 4), heeft in zijn wil om de mens op een wel bijzondere 1390 II, 7,43 | Zoals ik in mijn Brief aan de Gezinnen schreef: “Als uit 1391 II, 7,43 | Gezinnen schreef: “Als uit de echtelijke eenheid van de 1392 II, 7,43 | de echtelijke eenheid van de twee een nieuwe persoon 1393 II, 7,43 | gelijkenis met God met zich: de afkomst van de persoon staat 1394 II, 7,43 | met zich: de afkomst van de persoon staat gegrift in 1395 II, 7,43 | persoon staat gegrift in de biologie van de voortplanting 1396 II, 7,43 | gegrift in de biologie van de voortplanting zelf. Als 1397 II, 7,43 | zelf. Als we beweren dat de echtgenoten als ouders met 1398 II, 7,43 | echtgenoten als ouders met de Schepper meewerken in de 1399 II, 7,43 | de Schepper meewerken in de ontvangenis en de geboorte 1400 II, 7,43 | meewerken in de ontvangenis en de geboorte van een nieuw menselijk 1401 II, 7,43 | we het niet alleen over de biologische wetten. Integendeel, 1402 II, 7,43 | God is inderdaad alleen de bron van datbeeld en die 1403 II, 7,43 | menselijk wezen en die bij de schepping werden geschonken. 1404 II, 7,43 | geschonken. Voortplanting is de voortzetting van de schepping31. ~ 1405 II, 7,43 | Voortplanting is de voortzetting van de schepping31. ~Dit is wat 1406 II, 7,43(30) | Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld 1407 II, 7,43(30) | constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et 1408 II, 7,43 | schepping31. ~Dit is wat de Bijbel leert in een directe 1409 II, 7,43 | wanneer hij vertelt van de vreugdevolle uitroep van 1410 II, 7,43 | vreugdevolle uitroep van de eerste vrouw “de moeder 1411 II, 7,43 | uitroep van de eerste vrouwde moeder van alle levenden”( 1412 II, 7,43 | heb een man gekregen met de hulp van de Heer”(Gn 4,1). 1413 II, 7,43 | gekregen met de hulp van de Heer”(Gn 4,1). Daarom wordt 1414 II, 7,43 | Gn 4,1). Daarom wordt bij de voortplanting, door de schenking 1415 II, 7,43 | bij de voortplanting, door de schenking van het leven 1416 II, 7,43 | gelijkenis doorgegeven, dankzij de schepping van de onsterfelijke 1417 II, 7,43 | dankzij de schepping van de onsterfelijke ziel 32. Het 1418 II, 7,43(31) | Brief aan de gezinnen Gratissimam sane ( 1419 II, 7,43 | als volgt uit: “Toen God de mens schiep, maakte Hij 1420 II, 7,43 | schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis met God. Man 1421 II, 7,43 | hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen waren. 1422 II, 7,43 | honderddertig jaar was, werd hij de vader van een zoon die op 1423 II, 7,43 | nieuwe schepsel zien we de grootheid van echtparen 1424 II, 7,43 | zijnmee te werken met de liefde van de Schepper en 1425 II, 7,43 | werken met de liefde van de Schepper en de Verlosser, 1426 II, 7,43 | liefde van de Schepper en de Verlosser, die door hen 1427 II, 7,43 | andere aardse gavenalsde verwekker van de mensheid, 1428 II, 7,43 | gavenals “de verwekker van de mensheid, de schepper van 1429 II, 7,43 | verwekker van de mensheid, de schepper van beelden van 1430 II, 7,43(33) | Pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld 1431 II, 7,43(33) | constitutie over de Kerk in de moderne wereld Gaudium et 1432 II, 7,43 | goddelijke onderneming: door de voortplantingsdaad wordt 1433 II, 7,43 | zich een nieuw leven naar de toekomst. ~Maar aan gene 1434 II, 7,43 | Maar aan gene zijde van de specifieke zending van de 1435 II, 7,43 | de specifieke zending van de ouders betreft de taak van 1436 II, 7,43 | zending van de ouders betreft de taak van het opnemen en 1437 II, 7,43 | lijdende broeders en zusters: de hongerigen, de dorstigen, 1438 II, 7,43 | zusters: de hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, 1439 II, 7,43 | hongerigen, de dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, 1440 II, 7,43 | dorstigen, de vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen(...) 1441 II, 7,43 | vreemdelingen, de naakten, de zieken, de gevangenen(...) 1442 II, 7,43 | de naakten, de zieken, de gevangenen(...) Wat men 1443 II, 8 | binnenste gevormd”(Ps 139,13): de waardigheid van het ongeboren 1444 II, 8,44 | kwetsbaar wanneer het in de wereld komt en wanneer het 1445 II, 8,44 | komt en wanneer het uit de tijd weggaat om zich naar 1446 II, 8,44 | tijd weggaat om zich naar de eeuwigheid te begeven. Het 1447 II, 8,44 | woord van God herhaalt vaak de oproep om zorg en eerbied 1448 II, 8,44 | het feit dat zelfs maar de mogelijkheid om het leven 1449 II, 8,44 | ontkennen volkomen vreemd is aan de godsdienstige en culturele 1450 II, 8,44 | Zonen zijn een gave van de Heer, de vrucht van de schoot 1451 II, 8,44 | zijn een gave van de Heer, de vrucht van de schoot een 1452 II, 8,44 | van de Heer, de vrucht van de schoot een genade”(Ps 127, 1453 II, 8,44 | tot groei overeenkomstig de belofte aan Abraham: “Kijk 1454 II, 8,44 | aan Abraham: “Kijk naar de hemel, en tel de sterren, 1455 II, 8,44 | Kijk naar de hemel, en tel de sterren, als u dat kunt(...) 1456 II, 8,44 | dan iets anders werkt hier de zekerheid dat het leven 1457 II, 8,44 | zekerheid dat het leven dat de ouders doorgeven zijn oorsprong 1458 II, 8,44 | in God. Hiervan getuigen de vele bijbelse passages die 1459 II, 8,44 | respect en liefde spreken over de ontvangenis, de vorming 1460 II, 8,44 | spreken over de ontvangenis, de vorming van het leven in 1461 II, 8,44 | vorming van het leven in de moederschoot, de geboorte 1462 II, 8,44 | leven in de moederschoot, de geboorte en de intieme band 1463 II, 8,44 | moederschoot, de geboorte en de intieme band tussen het 1464 II, 8,44 | leven en het werk van God de Schepper. ~“Vóór Ik je vormde 1465 II, 8,44 | Vóór Ik je vormde in de moederschoot kende Ik jou 1466 II, 8,44 | Gods plan. Job houdt in de diepte van zijn pijn in, 1467 II, 8,44 | lichaam wonderlijk vormde in de schoot van zijn moeder. 1468 II, 8,44 | het leven van een kind in de moederschoot komen telkens 1469 II, 8,44 | komen telkens weer voor in de Psalmen 35. ~Hoe kan iemand 1470 II, 8,44 | dit wonderlijke proces van de ontplooiing van het leven 1471 II, 8,44 | en liefdevolle werk van de Schepper, ten prooi aan 1472 II, 8,44 | aan menselijke willekeur? De moeder van de zeven broers 1473 II, 8,44 | willekeur? De moeder van de zeven broers dacht zeker 1474 II, 8,44 | garantie van het leven vanaf de conceptie zelf, en tegelijkertijd 1475 II, 8,44 | zelf, en tegelijkertijd de grondslag van de hoop op 1476 II, 8,44 | tegelijkertijd de grondslag van de hoop op nieuw leven na de 1477 II, 8,44 | de hoop op nieuw leven na de dood: “Ik weet niet hoe 1478 II, 8,44 | zijn; niet ik heb jullie de levensadem geschonken, niet 1479 II, 8,44 | geschonken, niet ik heb de bestanddelen waaruit ieder 1480 II, 8,44 | harmonisch geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: 1481 II, 8,44 | geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt het 1482 II, 8,44 | bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles 1483 II, 8,44 | mens, zoals Hij van alles de oorsprong is. Hij zal jullie 1484 II, 8,44 | jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat 1485 II, 8,45 | 45. De openbaring van het Nieuwe 1486 II, 8,45 | Nieuwe Testament bevestigt de onbetwistbare erkenning 1487 II, 8,45 | onbetwistbare erkenning van de waarde van het leven vanaf 1488 II, 8,45 | vanaf zijn eerste begin. De verheerlijking van de vruchtbaarheid 1489 II, 8,45 | begin. De verheerlijking van de vruchtbaarheid en de gretige 1490 II, 8,45 | van de vruchtbaarheid en de gretige verwachting van 1491 II, 8,45 | het leven klinken door in de woorden waarmee Elizabeth 1492 II, 8,45 | over haar zwangerschap: “De Heer(...)heeft zich verwaardigd 1493 II, 8,45 | Lc 1,25). Meer nog wordt de waarde van de persoon vanaf 1494 II, 8,45 | nog wordt de waarde van de persoon vanaf het moment 1495 II, 8,45 | persoon vanaf het moment van de ontvangenis verheerlijkt 1496 II, 8,45 | ontvangenis verheerlijkt in de ontmoeting tussen de Maagd 1497 II, 8,45 | in de ontmoeting tussen de Maagd Maria en Elizabeth, 1498 II, 8,45 | en Elizabeth, en tussen de twee kinderen die zij dragen 1499 II, 8,45 | dragen in hun schoot. Juist de kinderen openbaren de komst 1500 II, 8,45 | Juist de kinderen openbaren de komst van het Messiaanse


1-500 | 501-1000 | 1001-1500 | 1501-2000 | 2001-2500 | 2501-3000 | 3001-3455

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License