Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 2,3 | werpen meer een smet op hen die zich zo gedragen dan
2 Inl, 2,3 | zich zo gedragen dan op hen die het onrecht hebben te
3 Inl, 2,4 | haalt de waardigheid van hen die haar beoefenen omlaag.
4 I, 1,7 | vreugde in de ondergang van hen die leven, maar alles heeft
5 I, 2,12 | welvaart of levenswijze van hen die meer bevoordeeld zijn
6 I, 2,16 | kinderen van Israël onderwierp hen aan elke soort van onderdrukking
7 I, 3,18 | voortvloeiende schuldigheid van hen die deze keuzes - die op
8 I, 3,18 | rijmen met de weigering om hen op te nemen die zwak en
9 I, 3,18 | behoeftig zijn, of ouder, of hen die juist in de moederschoot
10 I, 3,19 | radicaal afhankelijk van hen, en die alleen kan communiceren
11 I, 3,19 | anderen en aan dienst aan hen. Als het waar is dat het
12 I, 4,23 | God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardige
13 I, 5,25 | delen met de mensen door hen te reinigen en te wijden (
14 I, 5,26 | omgeving nodig hebben om hen te helpen verwoestende gewoonten
15 I, 5,26 | ongeborenen, de lijdenden en voor hen die in een acuut of terminaal
16 II, 1,29 | de mensen is gekomen om hen deelgenoot te maken van
17 II, 2,31 | toekomst te verzekeren voor hen die zonder hoop waren. Zo
18 II, 3,32 | van Gods bekommernis met hen en zij weten zeker dat ook
19 II, 3,32 | niet alleen bedoeld voor hen die ziek zijn en die lijden,
20 II, 3,33 | er was geen plaats voor hen in de herberg”(Lc 2,7).
21 II, 4,34 | schepping van de mensen “hen begiftigde met kracht als
22 II, 4,34 | kracht als die van hemzelf en hen maakte naar zijn eigen beeld”(
23 II, 4,34 | de vrije wil: “Hij vulde hen met kennis en begrip en
24 II, 4,34 | kennis en begrip en liet hen goed en kwaad zien”(Sir
25 II, 4,36 | goddelijke beeld wordt in hen hersteld, vernieuwd en tot
26 II, 7,42 | de wereld: “God zegende hen en God zei tot hen: “Weest
27 II, 7,42 | zegende hen en God zei tot hen: “Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt
28 II, 7,43 | Man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde
29 II, 7,43 | Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen mens op de
30 II, 7,43 | Hij zegende hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen
31 II, 7,43 | en de Verlosser, die door hen zijn eigen familie dag na
32 II, 7,43 | gevangenen(...) Wat men ieder van hen doet, doet men aan Christus
33 II, 9,47 | van de Meester en treedt hen die hem stenigen tegemoet
34 II, 10,49 | het vooral de profeten die hen er krachtig aan herinneren
35 II, 10,49 | beschuldigende vinger naar hen die hen leven minachten
36 II, 10,49 | beschuldigende vinger naar hen die hen leven minachten en de rechten
37 II, 10,49 | onschuldigen”(Jr 19,4). Onder hen veroordeelt de profeet Ezechiël
38 II, 11,51 | wordt aan Gods kinderen en hen tot het volk van het Nieuwe
39 II, 11,51 | wereld waren, beminde Hij hen tot het einde”(Joh 13,1),
40 II, 11,51 | door zich helemaal voor hen te geven. ~Hij die gekomen
41 III, 2,54 | een groot verschil tussen hen (...) Naar het voorschrift
42 III, 3,57 | Profeet categorisch: “Wee hen die het kwade goed noemen
43 III, 3,58 | verantwoordelijkheid speciaal bij hen die haar rechtstreeks of
44 III, 3,58 | verantwoordelijkheid ligt bij hen die de verbreiding van een
45 III, 3,58 | voor het moederschap en bij hen die een effectieve gezins-
46 III, 3,58 | enkelingen en de schade die hij hen toebrengt, en krijgt hij
47 III, 4,64 | liefdevol behandelen of door hen - bijv. artsen - van wie
48 IV, 2,79 | ofschoon het geheim dat hen omgeeft, voortbestaat, tot
49 IV, 2,80 | weerklank vinden in het hart van hen die in de Kerk op verschillende
50 IV, 3,81 | ontmoediging bij het zien van hen die zich in ziekte, in lijden
51 IV, 3,82 | goddelijk leven, doordat zij hen verzekeren van de nodige
52 IV, 3,83 | deelname aan het verdriet van hen die rouwen en hoop op en
53 IV, 4,85 | dagelijkse brood en één van u tot hen zegt: “Gaat in vrede, warmt
54 IV, 4,85 | verzadigt u!”, maar u geeft hen niet wat zij nodig hebben,
55 IV, 4,85 | voorkeur te hebben voor hen die het armste zijn, het
56 IV, 4,86 | vindt om de ouderen, vooral hen die niet langer voor zichzelf
57 IV, 4,87 | vrijwilligers. Hun beroep maakt hen tot hoeders en dienaars
58 IV, 4,87 | mom van hulp aan mensen, hen in feite schade berokkenen. ~
59 IV, 4,88 | van het leven inspireert hen om hun gevoelens van goede
60 IV, 4,88 | bij de christenen onder hen, om niet te wijken, maar
61 IV, 5,90 | persoon is; en wanneer één van hen het nodig heeft, krijgt
62 IV, 5,90 | beurt een geschenk is aan hen beiden, een geschenk dat
63 IV, 5,90 | beiden, een geschenk dat uit hen voortkomt”120. ~Vooral in
64 IV, 5,90(119)| teken van zijn zegen voor hen die zijn wegen gaan (vgl.
65 IV, 5,90 | zelfgave, en zij vormen in hen de eerbied voor anderen,
66 IV, 5,90 | geloof van hun kinderen en hen helpen om de roeping te
67 IV, 5,90 | alle soorten van lijden om hen heen en nog meer, wanneer
68 IV, 5,92 | kinderen gaven toen zij hen ter wereld brachten. Dit
69 IV, 6,95 | steeds meer mens te zijn, hen steeds dieper in de waarheid
70 IV, 6,95 | in de waarheid leidt, in hen een toenemende eerbied voor
71 IV, 6,95 | eerbied voor het leven wekt en hen oefent in intermenselijke
72 IV, 6,95 | De morele wet verplicht hen in ieder geval om de neigingen
73 IV, 6,95 | Kerk is dankbaar jegens hen die, met persoonlijke opoffering
74 IV, 6,95 | naar de eeuwigheid en, voor hen die leven in Christus, een
75 IV, 6,96 | afwijzing naar opname van hen. Andere mensen zijn geen
76 IV, 6,96 | te leveren. Veel zal van hen afhangen, willen jonge mensen,
77 IV, 6,96 | verantwoordelijkheid van hen die in de massamedia werkzaam
78 IV, 6,98 | door het vertrouwen van hen die weten dat het Evangelie
79 IV, 6,98 | ter beschikking staan van hen die werken voor een “cultuur
80 Slot, 1,101 | liefde van haar Zoon over hen uitstort: “Toen Jezus zijn
81 Slot, 2,102 | haar Zoon te redden van hen die Hem vrezen als een gevaarlijke
82 Slot, 3,103 | onze tijd. ~Verkrijg voor hen de genade dat Evangelie
|