Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,7 | Jahwe tot Kaïn: “Waarom zijt gij woedend en waarom staat
2 I, 1,7 | gezicht zo grimmig? Als gij het goede doet is er opgewektheid;
3 I, 1,7 | opgewektheid; maar doet gij het goede niet, dan loert
4 I, 1,7 | begerig u te grijpen. Zult gij hem meester kunnen blijven?”~
5 I, 1,7 | Toen zei Hij: “Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed
6 I, 1,7 | ontvangen! De grond die gij bewerkt zal niets meer opbrengen;
7 I, 1,7 | is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij van de bebouwde
8 I, 2,13 | rechtstreeks het goddelijke gebod “Gij zult niet doden”. ~Maar
9 I, 4,21 | is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij vandaag van
10 I, 4,21 | U alleen was mijn zonde; Gij doorziet het kwaad dat ik
11 I, 5 | Gij zijt genaderd tot het vergoten
12 I, 5,25 | profetische figuur is, tot God: “Gij zijt genaderd tot de berg
13 I, 5,25 | herinnert ons hieraan: “Gij weet dat gij niet met vergankelijke
14 I, 5,25 | ons hieraan: “Gij weet dat gij niet met vergankelijke dingen,
15 I, 5,25 | van uw vaderen had geërfd. Gij zijt verlost door het kostbaar
16 I, 5,28 | daarom het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het
17 I, 5,28 | de wet van de Heer: “Als gij gehoorzaamt aan de geboden
18 I, 5,28 | en bepalingen, dan zult gij leven(...); kies daarom
19 I, 5,28 | daarom het leven, dan zult gij met uw nakomelingen het
20 II, 1,30 | ook aan u bekend, opdat gij gemeenschap moogt hebben
21 II, 3,33 | hij voor ons arm, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt
22 II, 4,35 | persoon. ~“Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, en de zoon
23 II, 4,35 | de zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, vraagt de
24 II, 6,40 | verbiedt dat gebod moord: “Gij zult niet doden”(Ex 20,13); “
25 II, 6,40 | niet doden”(Ex 20,13); “Gij zult geen onschuldigen en
26 II, 6,40 | naaste als voor onszelf: “Gij zult uw naaste liefhebben
27 II, 6,41 | 41. Het gebod “Gij zult niet doden”, ingesloten
28 II, 6,41 | eerste van deze geboden aan: “Gij zult niet doden”. In de
29 II, 6,41 | eerbied voor het leven: “Gij hebt gehoord dat er gezegd
30 II, 6,41 | gezegd werd tot de ouden: Gij zult niet doden; en alwie
31 II, 6,41 | Rome richt: “De geboden: “Gij zult niet echtbreken, niet
32 II, 8 | Gij hebt mijn binnenste gevormd”(
33 II, 9,46 | tot U in nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt.
34 II, 9,46 | mij nieuw gemaakt. Jahwe, Gij deed mij verrijzen uit de
35 II, 9,46 | verrijzen uit de doden; of Gij mij hadt herschapen ben
36 II, 10,48 | door het specifieke gebod “Gij zult niet doden (Ex 20,13;
37 II, 10,48 | moeilijk is om het gebod “Gij zult niet doden”trouw te
38 II, 10,48 | geschiedenis zullen de woorden “Gij zult niet doden”weer stralen
39 III | Hoofdstuk III~Gij zult niet doden~Gods heilige
40 III, 1,52 | onderhouden, inclusief het gebod: “Gij zult niet doden”. Dit is
41 III, 1,52 | onderhouden: “Jezus zei: “Gij zult niet doden, gij zult
42 III, 1,52 | zei: “Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen,
43 III, 1,52 | zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen(...)””(
44 III, 2,53 | brengt het voorschrift “Gij zult niet doden”in feite
45 III, 2,53 | schending van het gebod “Gij zult niet doden”, het gebod
46 III, 2,54 | 54. Het gebod “Gij zult niet doden”bezit een
47 III, 2,54 | benadrukt dat “het gebod (...) gij zult niet doden (...) en
48 III, 2,54 | zin worden samengevat: “Gij zult uw naaste beminnen
49 III, 2,54 | Nieuwe Wet, staat het gebod “Gij zult niet doden”als een
50 III, 2,54 | christelijke geschrift - het gebod “Gij zult niet doden”categorisch
51 III, 2,54 | voorschrift van de leer: Gij zult niet doden (...), gij
52 III, 2,54 | Gij zult niet doden (...), gij zult een kind niet afdrijven
53 III, 2,54 | waarde geleerd van het gebod “Gij zult niet doden”. Het is
54 III, 2,54 | basis van vergelijking: “Gij zult uw naaste liefhebben
55 III, 2,56 | geschonken, dan heeft het gebod “Gij zult niet doden”absolute
56 III, 3,59 | vereisen dat Gods gebod: “Gij zult niet doden”ook wordt
57 III, 3,59(61)| Gij zult geen kind doden door
58 III, 4,64 | oude wijze van Israël: “Gij hebt macht over leven en
59 III, 4,64 | macht over leven en dood; Gij voert mensen naar de poorten
60 III, 6 | Gij zult uw naaste liefhebben
61 III, 6,74 | 76. Het gebod “gij zult niet doden”bepaalt
62 III, 6,75 | wet wordt ook het gebod “gij zult niet doden”bezield
63 III, 6,75 | 1Joh 3,16). ~Het gebod “gij zult niet doden”, verplicht
64 IV, 3,82 | wonderlijk zijn uw werken, Gij kent mij door en door”(Ps
|