Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,7 | die mij ontmoet kan mij doden”. ~Maar Jahwe antwoordde
2 I, 1,7 | ieder die hem ontmoette hem doden zou. Daarna trok Kaïn weg
3 I, 1,9 | ieder die hem ontmoette, hem doden zou”(Gn 4,15). Hij gaf hem
4 I, 1,9 | die hem misschien wilden doden om de dood van Abel te wreken.
5 I, 2,13 | mogelijk maken de foetus te doden in de moederschoot, zonder
6 I, 2,13 | en doelmatiger, het leven doden en die tegelijkertijd in
7 I, 2,13 | goddelijke gebod “Gij zult niet doden”. ~Maar ondanks hun verschillen
8 I, 2,17 | de “Kaïns”die de “Abels”doden; nee, het zijn wetenschappelijk
9 I, 3,20 | menselijke persoon wanneer het doden van de zwaksten en onschuldigsten
10 I, 4,21 | die mij ontmoet kan mij doden”(Gn 4,13-14). Kaïn is ervan
11 II, 1,29 | glorievolle opstanding uit de doden en tenslotte door de zending
12 II, 3,32 | gereinigd, doven horen, doden staan op, aan de armen wordt
13 II, 3,33 | het Kind zoekt om “het te doden”(Mt 2,13); een wereld die
14 II, 6,40 | gebod moord: “Gij zult niet doden”(Ex 20,13); “Gij zult geen
15 II, 6,40 | onschuldigen en rechtvaardigen doden”(Ex 23,7); maar - zoals
16 II, 6,41 | Het gebod “Gij zult niet doden”, ingesloten en vollediger
17 II, 6,41 | geboden aan: “Gij zult niet doden”. In de Bergrede vraagt
18 II, 6,41 | de ouden: Gij zult niet doden; en alwie doodt zal strafbaar
19 II, 6,41 | zult niet echtbreken, niet doden, niet stelen, niet begeren”
20 II, 9,46 | deed mij verrijzen uit de doden; of Gij mij hadt herschapen
21 II, 9,47 | Geneest de zieken, wekt de doden op, reinigt de melaatsen
22 II, 10,48 | specifieke gebod “Gij zult niet doden (Ex 20,13; Dt 5,17): de
23 II, 10,48 | het gebod “Gij zult niet doden”trouw te blijven wanneer
24 II, 10,48 | de woorden “Gij zult niet doden”weer stralen als een goed
25 II, 11,50 | zijn opwekkingen van de doden waren tekenen van een andere
26 II, 11,51 | om geen mensenleven te doden, maar ook om het leven te
27 III | Hoofdstuk III~Gij zult niet doden~Gods heilige wet~
28 III, 1,52 | het gebod: “Gij zult niet doden”. Dit is het eerste voorschrift
29 III, 1,52 | Jezus zei: “Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk
30 III, 2,53 | onschuldig menselijk wezen te doden”41. Met deze woorden zet
31 III, 2,53 | voorschrift “Gij zult niet doden”in feite als een goddelijk
32 III, 2,53 | het gebod “Gij zult niet doden”, het gebod dat de grondslag
33 III, 2,54 | Het gebod “Gij zult niet doden”bezit een uitgesproken,
34 III, 2,54 | gebod (...) gij zult niet doden (...) en ieder ander gebod
35 III, 2,54 | het gebod “Gij zult niet doden”als een onmisbare voorwaarde
36 III, 2,54 | het gebod “Gij zult niet doden”categorisch herhaald: “Er
37 III, 2,54 | van de leer: Gij zult niet doden (...), gij zult een kind
38 III, 2,54 | afdrijven noch na de geboorte doden (...) De weg van de dood
39 III, 2,54 | erkennen hun Schepper niet, zij doden hun kinderen en doen door
40 III, 2,54 | het gebod “Gij zult niet doden”. Het is bekend dat in de
41 III, 2,54 | hoeft niet te verbazen: het doden van een mens, in wie Gods
42 III, 2,56 | het gebod “Gij zult niet doden”absolute waarde wanneer
43 III, 2,56 | ongeoorloofdheid van het rechtstreekse doden van ieder onschuldig menselijk
44 III, 2,56 | het directe en vrijwillige doden van een onschuldig menselijk
45 III, 2,56 | morele norm die het directe doden van het leven van een onschuldig
46 III, 3,57 | provocatus is het opzettelijk doden, hoe hij ook wordt uitgevoerd,
47 III, 3,57 | tragisch ook, het opzettelijk doden van een onschuldig menselijk
48 III, 3,58 | mensen die besluiten tot het doden van het kind in de moederschoot.
49 III, 3,58 | rechtvaardigen die gericht is op het doden van een menselijk embryo.
50 III, 3,59 | Gods gebod: “Gij zult niet doden”ook wordt uitgebreid tot
51 III, 3,59(61)| Gij zult geen kind doden door abortus en evenmin
52 III, 3,60 | aangezien het opzettelijk doden van een onschuldig menselijk
53 III, 3,61 | zijn, onvermijdelijk het doden van die embryo”s met zich
54 III, 3,61 | van bepaalde ziekten. Het doden van onschuldige menselijke
55 III, 4,63 | zedelijk onaanvaardbaar doden betekent van een menselijke
56 III, 4,64 | actualiteit - een ander te doden: zelfs als hij het zou willen,
57 III, 5,70 | wetten die het rechtstreekse doden van onschuldige mensen,
58 III, 5,70 | omdat het leidt tot het doden van de mens: de maatschappij
59 III, 5,71 | iedere pasgeboren jongen te doden. Zij “deden niet wat de
60 III, 6,74 | Het gebod “gij zult niet doden”bepaalt dus het uitgangspunt
61 III, 6,75 | het gebod “gij zult niet doden”bezield en gevormd. Voor
62 III, 6,75 | Het gebod “gij zult niet doden”, verplicht iedere mens
|