Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 3,5 | gemeenschap, hebben de kardinalen mij eenstemmig gevraagd om met
2 Inl, 3,5 | bisschoppelijke collegialiteit, mij zijn medewerking zou aanbieden
3 Inl, 3,5 | die hebben geantwoord en mij kostbare informatie, suggesties
4 I | broer roept uit de grond tot mij~De huidige bedreigingen
5 I, 1,7 | broer roept uit de grond tot mij! Daarom zult ge vervloekt
6 I, 1,7 | te dragen. Gij verdrijft mij van de bebouwde grond, en
7 I, 1,7 | de aarde, en iedereen die mij ontmoet kan mij doden”. ~
8 I, 1,7 | iedereen die mij ontmoet kan mij doden”. ~Maar Jahwe antwoordde
9 I, 2,10 | broer roept uit de grond tot Mij!”(Gn 4,10). De stem van
10 I, 4,21 | te dragen. Gij verdrijft mij vandaag van deze grond;
11 I, 4,21 | op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden”(Gn
12 I, 4,21 | ieder die mij ontmoet kan mij doden”(Gn 4,13-14). Kaïn
13 I, 4,21 | Nathan, uitriep: “Ik ben mij bewust dat ik schuld heb:
14 I, 4,21 | steeds ziet wat ik begaan heb mij aan; tegen U, U alleen was
15 I, 5,25 | van uw broeder roept tot Mij vanaf de grond”(Gn 4,10).
16 II, 1,29 | Verrijzenis en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook
17 II, 1,29 | wie leeft en gelooft in Mij, zal nooit sterven”(Joh
18 II, 2,31 | dienaar; o Israël, u zult door Mij niet vergeten worden”(Js
19 II, 5 | Alwie leeft en gelooft in mij, zal nooit sterven”(Joh
20 II, 5,37 | naar waarheid zeggen: “Wie mij volgt(...) zal het licht
21 II, 5,38 | wie leeft en gelooft in Mij zal nooit sterven”(Joh 11,
22 II, 8,44 | geboren werd wijdde Ik je aan Mij toe”(Jr 1,5): het leven
23 II, 8,44 | voor zijn leven: “U hebt mij gevormd en gemaakt; zult
24 II, 8,44 | zult U zich dan afwenden en mij vernietigen? Bedenk dat
25 II, 8,44 | vernietigen? Bedenk dat U mij gevormd hebt uit klei; en
26 II, 8,44 | hebt uit klei; en zult U mij tot stof doen weerkeren?
27 II, 8,44 | stof doen weerkeren? Hebt U mij niet gezeefd als melk en
28 II, 8,44 | bekleed met huid en vlees, mij met botten en spieren ineengezet.
29 II, 9,46 | integendeel: “U, o Heer, bent mij hoop, mijn vertrouwen, o
30 II, 9,46 | grijsheid, God, verlaat mij niet, opdat ik uw macht
31 II, 9,46 | nood geroepen: Gij hebt mij nieuw gemaakt. Jahwe, Gij
32 II, 9,46 | gemaakt. Jahwe, Gij deed mij verrijzen uit de doden;
33 II, 9,46 | verrijzen uit de doden; of Gij mij hadt herschapen ben ik het
34 II, 10,49 | dubbel misdreven: ze hebben Mij verzaakt, de bron van levend
35 II, 11,50 | zeg u, heden zult ge met Mij zijn in het paradijs”(Lc
36 II, 11,51 | bijzondere gebeurtenis die mij diep ontroert wanneer ik
37 III, 3,58(59)| woord van Jahwe kwam tot mij: “Voordat ik u in de moederschoot
38 III, 3,58(59)| werd, bestemde ik u voor Mij; als profeet voor de volken
39 III, 3,58(59)| geboorte; u bent het die mij uit mijn moeders schoot
40 III, 4,65 | geroepen wordt: “Nu verheug ik mij in het lijden dat ik voor
41 IV | Hoofdstuk IV~Dat hebt ge mij gedaan~Voor een nieuwe cultuur
42 IV, 1,76 | woord van de Apostel: “Wee mij, wanneer ik het Evangelie
43 IV, 3 | Ik prijs u, dat u mij zo wonderbaar gevormd hebt”(
44 IV, 3,82 | uit: “Ik prijs U, dat U mij zo wonderbaar gevormd hebt;
45 IV, 3,82 | zijn uw werken, Gij kent mij door en door”(Ps 139,14).
46 IV, 4,85 | gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan”(Mt 25,40). Daarom
47 Slot, 2,102 | mijn Naam opneemt, neemt Mij op”(Mt 18,5); “Voorwaar,
48 Slot, 2,102 | mijn broeders, hebt u voor Mij gedaan”(Mt 25,40). ~
|