Chapter, Paragraph, Number
1 I, 2,13 | rechtstreeks het goddelijke gebod “Gij zult niet doden”. ~
2 II, 1,29 | evenmin is het louter een gebod, gericht op bewustwording
3 II, 6,40 | Schepper en Vader. ~Het gebod betreffende de onaantastbaarheid
4 II, 6,40 | eerste plaats verbiedt dat gebod moord: “Gij zult niet doden”(
5 II, 6,40 | hoogtepunt in het positieve gebod, dat ons verplicht om verantwoordelijk
6 II, 6,41 | 41. Het gebod “Gij zult niet doden”, ingesloten
7 II, 6,41 | uitgedrukt in het positieve gebod van liefde voor de naaste,
8 II, 6,41 | positieve vereisten zien van het gebod dat betrekking heeft op
9 II, 6,41 | diepste element van Gods gebod om het menselijk leven te
10 II, 10,48 | wordt geopenbaard in Gods gebod. Het woord van de Heer toont
11 II, 10,48 | verzekerd door het specifieke gebod “Gij zult niet doden (Ex
12 II, 10,48 | In dat Verbond wordt Gods gebod aangeboden als de levensweg: “
13 II, 10,48 | het zo moeilijk is om het gebod “Gij zult niet doden”trouw
14 II, 10,48 | vgl.Hnd 7,38) waarmee dit gebod verbonden is, niet worden
15 II, 10,48 | Losgemaakt uit dit kader is het gebod gedoemd om niet meer te
16 II, 11,51 | leren om niet alleen het gebod te gehoorzamen, om geen
17 III, 1 | Mt 19,17): evangelie en gebod~
18 III, 1,52| onderhouden, inclusief het gebod: “Gij zult niet doden”.
19 III, 1,52| Mt 19,18). ~Gods gebod wordt nooit gescheiden van
20 III, 1,52| koestert. Zo wordt de gave een gebod en het gebod is zelf een
21 III, 1,52| de gave een gebod en het gebod is zelf een gave. ~De Schepper
22 III, 2,53| feite als een goddelijk gebod (Ex 20,13; Dt 5,17). Zoals
23 III, 2,53| onderstreept bevindt dit gebod zich in de Decaloog, in
24 III, 2,53| iedere schending van het gebod “Gij zult niet doden”, het
25 III, 2,53| Gij zult niet doden”, het gebod dat de grondslag vormt van
26 III, 2,54| 54. Het gebod “Gij zult niet doden”bezit
27 III, 2,54| verkondiging van Jezus dat het gebod van de naastenliefde lijkt
28 III, 2,54| naastenliefde lijkt op het gebod van de liefde tot God; “
29 III, 2,54| Paulus benadrukt dat “het gebod (...) gij zult niet doden (...)
30 III, 2,54| doden (...) en ieder ander gebod in deze zin worden samengevat: “
31 III, 2,54| de Nieuwe Wet, staat het gebod “Gij zult niet doden”als
32 III, 2,54| christelijke geschrift - het gebod “Gij zult niet doden”categorisch
33 III, 2,54| onveranderlijke waarde geleerd van het gebod “Gij zult niet doden”. Het
34 III, 2,54| dieper begrip van wat Gods gebod verbiedt en voorschrijft 43.
35 III, 2,54| zelfverdediging. Zelfs het veeleisende gebod van de naastenliefde, in
36 III, 2,56| geschonken, dan heeft het gebod “Gij zult niet doden”absolute
37 III, 2,56| absolute verplichting van Gods gebod verdediging vinden tegen
38 III, 3,59| gevolg vereisen dat Gods gebod: “Gij zult niet doden”ook
39 III, 5,71| tegen het onrechtvaardige gebod van het openbaar gezag.
40 III, 6,74| 76. Het gebod “gij zult niet doden”bepaalt
41 III, 6,75| nieuwe wet wordt ook het gebod “gij zult niet doden”bezield
42 III, 6,75| tenslotte ook het absolute gebod in, om overeenkomstig de
43 III, 6,75| geven”(1Joh 3,16). ~Het gebod “gij zult niet doden”, verplicht
44 IV, 1,77 | niet minder. Aan hem is het gebod van de Heer gericht om voor
45 IV, 5,92 | gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod om zijn vader en moeder
|