Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 2,3 | tegenspraak met de eer van de Schepper”5. ~
2 I, 3,19 | een groot geschenk van de Schepper, gegeven als zij is ten
3 I, 4,22 | bondig verklaart: “Zonder de Schepper verdwijnt het schepsel in
4 I, 4,22 | afhankelijkheid van het plan van de Schepper minacht. Zo is het duidelijk
5 I, 5,25 | mens zijn in de ogen van de Schepper als hij “een zo verheven
6 II, 2,31 | onsterfelijk leven die door de Schepper in het mensenhart is geplant
7 II, 4,34 | die hem verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een
8 II, 4,34 | specifieke verbintenis met de Schepper te te creëren: “Laat ons
9 II, 4,34 | naar het beeld van zijn Schepper, God, die de ware en rechtvaardige
10 II, 4,34 | de mens “in staat om zijn Schepper te kennen en te beminnen”24.
11 II, 4,35 | wie de geest van God de Schepper ook levend is, kan de behoefte
12 II, 4,35 | de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust, zoals de H. Ambrosius
13 II, 4,36 | rebelleert de mens tegen zijn Schepper en komt tenslotte tot het
14 II, 4,36 | het schepsel liever dan de Schepper”(Rom 1,25). Als gevolg daarvan
15 II, 6,40 | eigendom en gave is van God de Schepper en Vader. ~Het gebod betreffende
16 II, 7,42 | heerlijkheid en eer van zijn Schepper: “U hebt hem heerschappij
17 II, 7,42 | de heerschappij die de Schepper gegeven heeft aan de mens,
18 II, 7,42 | dingen. De beperking die de Schepper zelf vanaf het begin opgelegd
19 II, 7,43 | echtgenoten als ouders met de Schepper meewerken in de ontvangenis
20 II, 7,43 | werken met de liefde van de Schepper en de Verlosser, die door
21 II, 7,43 | verwekker van de mensheid, de schepper van beelden van God”34. ~
22 II, 8,44 | leven en het werk van God de Schepper. ~“Vóór Ik je vormde in
23 II, 8,44 | liefdevolle werk van de Schepper, ten prooi aan menselijke
24 II, 8,44 | geheel geordend, maar de Schepper van de wereld: Hij bewerkt
25 II, 9,47 | van zo”n beslissing is de Schepper alleen, in wie “wij leven
26 III, 1,52 | gebod is zelf een gave. ~De Schepper wil dat de mens, als Gods
27 III, 2,53 | ontstaan “het handelen van de Schepper vereist”, en het blijft
28 III, 2,53 | bijzondere relatie met zijn Schepper, zijn enige doel. God alleen
29 III, 2,53 | onaantastbaarheid van de Schepper zelf weerspiegelt. Juist
30 III, 2,54 | lijdenden, zij erkennen hun Schepper niet, zij doden hun kinderen
31 III, 6,74 | vgl. Ps 139, 13-14). ~De Schepper heeft het leven van de mens
32 III, 6,75 | oorspronkelijke Verbond van God de Schepper met de mens in het morele
33 IV, 3,81 | ding de afstraling van de Schepper en in iedere mens zijn levend
34 IV, 3,81 | oneindige gemeenschap met God de Schepper en Vader. ~
35 IV, 6,98 | bede opstijgen tot God, de Schepper en Minnaar van het leven,
36 Slot, 3,103| tot lof en eer van God, de Schepper en Vriend van het leven. ~
|