Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1 | Kaïn hief zijn hand op tegen
2 I, 1,7 | op Abel door zijn broer Kaïn: “Toen zij buiten waren,
3 I, 1,7 | Toen zij buiten waren, viel Kaïn zijn broer aan en vermoordde
4 I, 1,7 | Abel werd schaapherder en Kaïn landbouwer. Na verloop van
5 I, 1,7 | verloop van tijd bracht Kaïn een offer aan Jahwe van
6 I, 1,7 | Abel en zijn offer, maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij
7 I, 1,7 | Een wilde woede greep Kaïn aan, en zijn gezicht werd
8 I, 1,7 | grimmig. Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waarom zijt gij woedend
9 I, 1,7 | kunnen blijven?”~Daarop zei Kaïn tot zijn broer Abel: “Laten
10 I, 1,7 | toen zij buiten waren, hief Kaïn de hand op tegen zijn broer
11 I, 1,7 | doodde hem. ~Nu zei Jahwe tot Kaïn: “Waar is uw broer Abel?”
12 I, 1,7 | zijn op de aarde!”~Toen zei Kaïn tot Jahwe: “Die straf is
13 I, 1,7 | Neen! Wie het ook is die Kaïn doodt, hij zal het zevenvoudig
14 I, 1,7 | zevenvoudig boeten!”En Jahwe gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen
15 I, 1,7 | hem doden zou. Daarna trok Kaïn weg uit Jahwe”s nabijheid
16 I, 1,8 | 8. Kaïn is “zeer kwaad”en heeft
17 I, 1,8 | Abel verkiest boven dat van Kaïn; hij geeft echter duidelijk
18 I, 1,8 | van Abel, het gesprek met Kaïn niet afbreekt. Hij waarschuwt
19 I, 1,8 | zijn prooi te storten. Maar Kaïn blijft vrij tegenover de
20 I, 1,8 | de overhand en zo stort Kaïn zich op zijn broer en doodt
21 I, 1,8 | verhaal van de moord van Kaïn op zijn broer Abel toont
22 I, 1,8 | moeten beminnen. Niet zoals Kaïn, die uit de boze was en
23 I, 1,8 | het lot van Abel, omzeilt Kaïn, liever dan zich verlegen
24 I, 1,8 | 9). “Ik weet het niet”: Kaïn probeert met een leugen
25 I, 1,8 | op mijn broer passen?”: Kaïn wil niet denken aan zijn
26 I, 1,9 | God zelf naar het leven. ~Kaïn wordt vervloekt door God
27 I, 1,9 | en verwijdering van God. Kaïn zal “rondzwerven en voortvluchtig
28 I, 1,9 | wanneer Hij straft, “gaf Kaïn een merkteken, om te voorkomen
29 I, 1,9 | uitgeleverd. (...) God stuurde Kaïn weg van zijn aanschijn en
30 I, 2,10| 10. De Heer zegt tot Kaïn: “Wat heb je gedaan? Hoor,
31 I, 2,10| Wat heb je gedaan?”waaraan Kaïn niet kan ontkomen, wordt
32 I, 3,18| uitnodiging te zijn aan Kaïn om voorbij het materile
33 I, 4,21| over hem uitspreekt, keert Kaïn zich aldus tot de Heer: “
34 I, 4,21| mij doden”(Gn 4,13-14). Kaïn is ervan overtuigd dat zijn
35 I, 4,21| moeten blijven”van Hem. Als Kaïn in staat is te belijden
36 II, 6,40| Gn 4,10), die God aan Kaïn stelt, nadat hij zijn broer
|