Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 3,5 | onvermindere moed stem te geven aan wie geen stem hebben. Haar roepen
2 I, 1,7 | Jahwe antwoordde hem: “Neen! Wie het ook is die Kaïn doodt,
3 I, 1,9 | aan God toe: daarom staat wie een mens naar het leven
4 I, 2,12 | gezien als een vijand tegen wie men zich moet verweren of
5 I, 3,20 | beschouwd als vijand tegen wie men zich moet verdedigen.
6 I, 5,25 | bloed van Christus, voor wie Abel in zijn onschuld een
7 I, 5,25 | van leven is voor allen. Wie in het sacrament van de
8 II, 1,29 | Verrijzenis en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven,
9 II, 1,29 | ook al is hij gestorven; wie leeft en gelooft in Mij,
10 II, 2,31 | ellende is, en leven aan wie bitter zijn in de ziel,
11 II, 3,32 | Bovenal zijn het de “armen”tot wie Jezus spreekt in zijn verkondiging
12 II, 3,32 | die je hebt bereid, van wie zullen die zijn?”(Lc 12,
13 II, 4,35 | beenderen (vgl.Gn 2,23), en in wie de geest van God de Schepper
14 II, 4,35 | uit, die gezegd heeft: “Op wie zal ik rusten, tenzij op
15 II, 5,37 | Hij naar waarheid zeggen: “Wie mij volgt(...) zal het licht
16 II, 5,37 | geloofsbelijdenis: “Heer, naar wie zouden wij gaan? U hebt
17 II, 5,38 | verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in Mij
18 II, 6,41 | uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen, opdat u kinderen
19 II, 9,47 | is de Schepper alleen, in wie “wij leven en bewegen en
20 II, 11,50 | van God geopenbaard als wie Hij is: aan het Kruis wordt
21 III, 1,52 | God eist van de mens, aan wie Hij het leven geeft dat
22 III, 2,54 | een categorische klank: “Wie zijn broeder haat is een
23 III, 2,54 | het doden van een mens, in wie Gods beeld aanwezig is,
24 III, 3,60 | strafsancties uitgevaardigd tegen wie schuldig zijn aan abortus.
25 III, 3,60 | voort waar zij bepaalt dat “wie een abortus verricht, bij
26 III, 4,64 | zoals familieleden, van wie men verwacht dat ze een
27 III, 4,64 | hen - bijv. artsen - van wie krachtens hun specifieke
28 III, 4,64 | aanmatigen om te beslissen wie mag leven en wie sterven.
29 III, 4,64 | beslissen wie mag leven en wie sterven. Opnieuw staan we
30 III, 5,71 | gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees toekomt
31 III, 5,72 | het leven, te weigeren. Wie grijpt naar het middel van
32 IV, 4,85 | als voor een persoon voor wie God ons verantwoordelijk
33 IV, 6,98 | op de hulp van God, voor wie niets onmogelijk is (vgl.
34 Slot, 1,101| vrouw van heerlijkheid, in wie Gods plan uitgevoerd kon
35 Slot, 2,102| onvermoeibaar blijft verkondigen: “Wie zulk een kind in mijn Naam
|