Chapter, Paragraph, Number
1 I, 4,21 | doorziet het kwaad dat ik deed”(Ps 51,5-6). ~
2 II, 4,34 | Gn 2,7; 3,19; Job 34,15; Ps 103 [102],14; 104 [103],
3 II, 4,34 | heerlijkheid (vgl.Gn 1,26-27; Ps 8,6). Dit is wat de H. Ireneüs
4 II, 4,35 | aanziet?”, vraagt de Psalmist (Ps 8,5). Vergeleken met de
5 II, 4,35 | met heerlijkheid en eer”(Ps 8,6). De heerlijkheid van
6 II, 6,39 | zijn moeder is mijn ziel”(Ps 131,2; vgl.Js 49,15; 66,
7 II, 7,42 | paden van de zee doorloopt”(Ps 8,6-8). ~Geroepen om de
8 II, 8 | mijn binnenste gevormd”(Ps 139,13): de waardigheid
9 II, 8,44 | van de schoot een genade”(Ps 127,3;vgl.Ps 128,3-4). Dit
10 II, 8,44 | een genade”(Ps 127,3;vgl.Ps 128,3-4). Dit geloof stoelt
11 II, 9 | te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10): leven in ouderdom
12 II, 9,46 | geslachten uw wonderen”(Ps 71,5.18). Het ideaal van
13 II, 9,46 | handen is mijn leven”(vgl.Ps 16,5), en hij aanvaardt
14 II, 9,46 | alle ziekten geneest”(vgl.Ps 103,3). Wanneer alle hoop
15 II, 9,46 | ik verdor als het gras (Ps 102,11)- zelfs dan wordt
16 II, 9,46 | te zeer ben ik getroffen”(Ps 116,10); “Ik heb, Heer,
17 II, 9,46 | ben ik het graf ontgaan”(Ps 30,3-4). ~
18 III, 1,52 | blijde gehoorzaamheid (vgl.Ps 119), geboren uit en gekoesterd
19 III, 2,53 | 15; Js 41,14; Jr 50,34; Ps 19,14). God laat zo zien
20 III, 3 | ogen zagen hoe ik ontstond”(Ps 139,16): de afschuwelijke
21 III, 3,58(59)| mijn moeders schoot nam”(Ps 71,6; vgl. Js 46,3; Job
22 III, 3,58(59)| vgl. Js 46,3; Job 10,8-12; Ps 22,10-11). Zo benadrukt
23 III, 3,59 | Levens”staat opgetekend (vgl.Ps 139,1; 1,13-16). Reeds daar,
24 III, 6,74 | leven tot uitdrukking (vgl. Ps 139, 13-14). ~De Schepper
25 IV, 3 | wonderbaar gevormd hebt”(Ps 139,14): het Evangelie van
26 IV, 3,81 | geschapen als een wonder (vgl. Ps 139,14). Het is de visie
27 IV, 3,81 | beeld ontdekt (vgl. Gn 1,27; Ps 8,6). Deze visie wijkt niet
28 IV, 3,82 | nog vormloos waren (vgl. Ps 139,13.15-16), en met overweldigende
29 IV, 3,82 | Gij kent mij door en door”(Ps 139,14). Inderdaad, “dit
30 IV, 3,82 | waardigheid verleend (vgl. Ps 8,6-7). In ieder kind dat
31 IV, 5 | rond uw tafel geschaard”(Ps 128,3): het gezin als het “
32 IV, 5,90(119)| God gepresenteerd (vgl. Ps 127,3); en als een teken
33 IV, 5,90(119)| die zijn wegen gaan (vgl. Ps 128, 3-4). ~
|