Chapter, Paragraph, Number
1 II, 1,29 | al is hij gestorven; wie leeft en gelooft in Mij, zal nooit
2 II, 1,30 | terwijl hij in deze wereld leeft, gedreven en geroepen wordt.
3 II, 3,32 | als God “die houdt van wat leeft”(vgl.W 11,26) Israël had
4 II, 4,34 | heers over (...) al wat leeft”(1,28); dit is Gods bevel
5 II, 5 | Alwie leeft en gelooft in mij, zal nooit
6 II, 5,38 | verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in Mij zal nooit
7 II, 6,41 | die in het land van Israël leeft) tot het tonen van bekommernis
8 II, 7,42 | jegens de omgeving waarin hij leeft, jegens de schepping die
9 II, 10,48 | eerste bekoring: “De mens leeft niet van brood alleen maar (...)
10 III, 4,65 | omarmt: “Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand
11 III, 4,65 | gaat hij die zijn lijden leeft in de Heer, volkomen op
12 III, 6,75 | mens die in deze wereld leeft, bereikt en erbij betrekt. ~
13 IV, 3,82 | wordt en in iedere mens die leeft of sterft, herkennen wij
14 IV, 6 | Leeft als kinderen van het licht”(
15 IV, 6,93 | 95. “Leeft als kinderen van het licht (...)
16 IV, 6,97 | vragen, dat nu in de Heer leeft. Met de vriendelijke en
17 Slot, 0,100| Leven waardoor iedereen leeft. En toen zij het leven baarde,
|