Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,8 | vijand geworden van zijn naaste”10. ~De ene broer doodt
2 I, 1,8 | van elk geweld tegen de naaste ligt een toegeven aan de “
3 I, 1,8 | verantwoordelijkheid van de mens voor zijn naaste af te schuiven: symptomen
4 I, 5,27 | geven uit leven voor hun naaste, vooral de zwakke en behoeftige. ~
5 II, 6,40 | verantwoordelijk te zijn voor onze naaste als voor onszelf: “Gij zult
6 II, 6,40 | voor onszelf: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lv
7 II, 6,41 | gebod van liefde voor de naaste, wordt herbevestigd in al
8 II, 6,41 | vreemdeling voor de persoon die de naaste moet worden van iemand in
9 II, 6,41 | samenvatten in deze zin: “Bemin uw naaste als uzelf”. Liefde doet
10 II, 6,41 | als uzelf”. Liefde doet de naaste geen kwaad; liefde vervult
11 III, 2,54| samengevat: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf””(Rom
12 III, 2,54| vergelijking: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Mc
13 III, 4,64| rechtvaardigheid en liefde tot de naaste, tot de gemeenschappen waartoe
14 III, 6 | Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf”(Lc
15 III, 6,75| die wij verplicht aan onze naaste bieden, opdat zijn leven
16 IV, 1,77 | om voor iedere mens “tot naaste te worden”: “Ga en doe evenzo!”(
|