Chapter, Paragraph, Number
1 I, 1,9 | onmiddellijk de wet van de goddelijke barmhartigheid uitgebreid
2 I, 2,13 | schendt rechtstreeks het goddelijke gebod “Gij zult niet doden”. ~
3 I, 5,25 | leert de gelovige de bijna goddelijke waardigheid van ieder menselijk
4 II, 1,29(22) | Dogmatische constitutie over de goddelijke Openbaring Dei Verbum, 4. ~
5 II, 3,33 | alleen een beroving van goddelijke voorrechten, maar ook deelname
6 II, 4,35 | verhaal spreekt van een goddelijke adem die in de mens wordt
7 II, 4,35 | levend wezen”(Gn 2,7). ~De goddelijke oorsprong van deze levensgeest
8 II, 4,36 | de volheid van leven: het goddelijke beeld wordt in hen hersteld,
9 II, 5,38 | breedte en diepte in de goddelijke dimensies van dit goed.
10 II, 7,43 | huwelijk, deelgenoten in een goddelijke onderneming: door de voortplantingsdaad
11 III, 3,59 | onder de bescherming van de Goddelijke Voorzienigheid staan”63.
12 III, 5,70 | orde ingaan en dus tegen de goddelijke wil geen bindende kracht
13 IV, 3,81(108)| PSEUDO-DIONYSIUS DE AREOPAGIET, Over de goddelijke namen, VI, 1-3: PG 3, 856-
14 IV, 3,82 | heeft aan de mens een bijna goddelijke waardigheid verleend (vgl.
15 IV, 5,92 | de gehoorzaamheid aan het goddelijke gebod om zijn vader en moeder
|