Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 1,2 | deelname aan het leven van God zelf. ~De verhevenheid van
2 Inl, 1,2 | de gave van onszelf aan God en aan onze broeders. ~De
3 Inl, 1,2 | menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin verenigd
4 Inl, 1,2 | de grenzeloze liefde van God die “zozeer de wereld heeft
5 Inl, 1,2 | Evangelie van de liefde van God voor de mens, het Evangelie
6 Inl, 2,3 | geheim van het Woord van God dat is mens geworden (vgl.
7 Inl, 2,3 | Menswording van de Zoon van God, moet zij die wel betrekken
8 Inl, 3,5 | aan iedereen, in naam van God: respecteer, verdedig, bemin
9 Inl, 3,6 | altijd, volgens het plan van God, behouden blijft als “heiligdom
10 I, 1,7 | 7. “God heeft de dood niet gemaakt
11 I, 1,7 | zijn geschapen(...) Ja, God heeft de mens geschapen
12 I, 1,7 | mens naar het beeld van God voor een vol en volmaakt
13 I, 1,8 | onthult niet de reden waarom God het offer van Abel verkiest
14 I, 1,8 | opstand van de mens tegen God in het aards paradijs voegt
15 I, 1,8 | andere. ~Na de misdaad komt God tussenbeide om de vermoorde
16 I, 1,8 | vermoorde te wreken. Tegenover God, die hem ondervraagt over
17 I, 1,9 | 9. Maar God laat de misdaad niet ongestraft:
18 I, 1,9 | mens, behoort alleen aan God toe: daarom staat wie een
19 I, 1,9 | leven staat, in zekere zin God zelf naar het leven. ~Kaïn
20 I, 1,9 | Kaïn wordt vervloekt door God en ook door de aarde, die
21 I, 1,9 | onderling en van vriendschap met God, wordt “land van Nod”(Gn
22 I, 1,9 | eenzaamheid en verwijdering van God. Kaïn zal “rondzwerven en
23 I, 1,9 | hem altijd vergezellen. ~God echter, altijd barmhartig
24 I, 1,9 | persoonlijke waardigheid en God zelf stelt zich daarvoor
25 I, 1,9 | barmhartige rechtvaardigheid van God, zoals de H. Ambrosius schreef: “
26 I, 1,9 | hebben uitgeleverd. (...) God stuurde Kaïn weg van zijn
27 I, 1,9 | naar beestachtige wildheid. God wilde echter de moord niet
28 I, 3,19 | broeders hoeder”, omdat God ons aan elkaar toevertrouwt.
29 I, 3,19 | op dit toevertrouwen, dat God aan iedereen vrijheid geeft,
30 I, 4 | verduistering van de zin voor God en voor de mens~
31 I, 4,21 | verduistering van de zin voor God en voor de mens, typisch
32 I, 4,21 | cirkel: wanneer de zin voor God weg is, is er ook de neiging
33 I, 4,21 | volgen. Na de vervloeking die God over hem uitspreekt, keert
34 I, 4,21 | de tegenwoordigheid van God te zijn en vóór Gods rechtvaardige
35 I, 4,21 | is inderdaad alleen voor God dat de mens zijn zonde kan
36 I, 4,22 | Daarom wordt, als de zin voor God verdwenen is, ook de zin
37 I, 4,22 | een schitterende gave van God, iets “heiligs”dat aan zijn
38 I, 4,22 | eenmaal de verwijzing naar God buitengesloten is, is het
39 I, 4,22 | worden, of van een plan van God met het leven, dat gerespecteerd
40 I, 4,22 | vrijheid. ~Door te leven “alsof God niet bestond”verliest de
41 I, 4,22 | zicht op het mysterie van God, maar ook op dat van de
42 I, 4,23 | verduistering van de zin voor God en voor de mens leidt onvermijdelijk
43 I, 4,23 | moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen
44 I, 4,23 | geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun
45 I, 4,23 | betrekkingen met anderen, met God en met de wereld. Het wordt
46 I, 4,24 | verduistering van de zin voor God en voor de mens met al haar
47 I, 4,24 | uniciteit alleen is met God 18. Maar het is ook in zekere
48 I, 4,24 | onderdrukken”(1,18): nadat zij God hebben ontkend en geloven
49 I, 5,25 | zou worden, dat roept tot God, de Bron en Verdediger van
50 I, 5,25 | profetische figuur is, tot God: “Gij zijt genaderd tot
51 I, 5,25 | en de stad van de levende God (...) tot de middelaar van
52 I, 5,25 | het Oude Verbond, waardoor God zijn wil verkondigde om
53 I, 5,25 | van de Paasvigilie), als “God zijn enige Zoon gaf”, opdat
54 I, 5,25 | zekerheid dat in het plan van God het leven de overwinning
55 I, 5,25 | die komt van de troon van God in het hemelse Jeruzalem (
56 I, 5,27 | wijden hun leven toe aan God, door het te geven uit leven
57 I, 5,28 | de geboden van de Heer uw God, die ik u heden geef, door
58 I, 5,28 | heden geef, door de Heer uw God te beminnen, door zijn wegen
59 I, 5,28 | bezitten, door de Heer uw God te beminnen, zijn stem te
60 I, 5,28 | het geloof in de Zoon van God, die mens werd en onder
61 II, 1,29 | momenten wordt het Volk van God, en daarin elke gelovige,
62 II, 1,29 | openbaring namelijk, dat God met ons is om ons te bevrijden
63 II, 1,30 | nog eens “de woorden van God”(Joh 3,34) horen, en opnieuw
64 II, 2,31 | zijn leven in de ogen van God. Toen het tot uitroeiing
65 II, 2,31 | waarin de ontdekking van God en de ontdekking van zichzelf
66 II, 2,31 | wordt, het zich slechts tot God hoeft te wenden met hernieuwd
67 II, 3,32 | Nazareth ontmoeten. Net als God “die houdt van wat leeft”(
68 II, 3,32 | zo verkondigt de Zoon van God nu, aan allen die zich bedreigd
69 II, 3,32 | de duivel stonden, want God was met Hem”(Hnd 10,38),
70 II, 3,33 | het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem
71 II, 3,33 | leven zijn als de Zoon van God het aangenomen heeft en
72 II, 4,34 | antwoord. Het leven dat God aan de mens geeft is geheel
73 II, 4,34 | een manifestatie is van God in de wereld, een teken
74 II, 4,34 | mens is de heerlijkheid van God”23. Aan de mens is een sublieme
75 II, 4,34 | van de werkelijkheid van God zelf. ~Het boek Genesis
76 II, 4,34 | scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en plaatste
77 II, 4,34 | beslissing van de kant van God, een besluit om een bijzondere
78 II, 4,34 | Gn 1,26). Het leven dat God de mens aanbiedt is een
79 II, 4,34 | aanbiedt is een gave waardoor God iets van zichzelf deelt
80 II, 4,34 | verbintenis tussen de mens en God. Ook het boek Sirach erkent
81 II, 4,34 | het boek Sirach erkent dat God bij de schepping van de
82 II, 4,34 | beeld van zijn Schepper, God, die de ware en rechtvaardige
83 II, 4,34 | beminnen”24. Het leven dat God de mens geeft is veel meer
84 II, 4,34 | tijd zelf overstijgt: “Want God schiep de mens voor de onbederflijkheid
85 II, 4,35 | tot leven komt: “De Heer God vormde de mens uit het stof
86 II, 4,35 | aarde is. Omdat hij door God gemaakt is, en in zich een
87 II, 4,35 | onuitwisbaar merkteken van God draagt, wordt de mens van
88 II, 4,35 | de mens van nature naar God toegetrokken. Wanneer hij
89 II, 4,35 | en in wie de geest van God de Schepper ook levend is,
90 II, 4,35 | is een weerspiegeling van God zelf, het definitieve doel
91 II, 4,35 | weinig minder gemaakt dan een god, en kroont hem met heerlijkheid
92 II, 4,35 | 6). De heerlijkheid van God licht op in het gezicht
93 II, 4,35 | deze gaven van Hem rust God uit, die gezegd heeft: “
94 II, 4,35 | 2). Ik dank de Heer onze God die een zo prachtig werk
95 II, 4,36 | vervingen de waarheid over God door een leugen en aanbaden
96 II, 4,36 | niet alleen het beeld van God in zijn eigen persoon, maar
97 II, 4,36 | moorddadige haat. Wanneer God niet erkend wordt als God,
98 II, 4,36 | God niet erkend wordt als God, dan wordt de diepe betekenis
99 II, 4,36 | de komst van de Zoon van God in het menselijk vlees: “
100 II, 4,36 | beeld van de onzichtbare God”(Kol 1,15), “Hij weerspiegelt
101 II, 4,36 | weerspiegelt de heerlijkheid van God en is het evenbeeld van
102 II, 4,36 | gebracht. Dit is het plan van God met de mensen: dat ze “gelijkvormig
103 II, 5,37 | Het leven dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen
104 II, 5,37 | in het verwekt zijn door God en het delen in de volheid
105 II, 5,37 | de macht om kinderen van God te worden, die niet uit
106 II, 5,37 | wil van de man, maar uit God geboren zijn”(Joh 1,12-13). ~
107 II, 5,37 | presenteert het geboren zijn uit God als een noodzakelijke voorwaarde
108 II, 5,37 | doel wil bereiken waarvoor God hem geschapen heeft: “Tenzij
109 II, 5,37 | wordt, kan hij het rijk van God niet zien”(Joh 3,3). Dit
110 II, 5,37 | erkend dat U de Heilige van God bent”(Joh 6,68-69). Wanneer
111 II, 5,37 | U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt,
112 II, 5,37 | Jezus Christus”(Joh 17,3). God en zijn Zoon kennen is het
113 II, 5,37 | het deelt in het leven van God. ~
114 II, 5,38 | is daarom het leven van God zelf en tegelijk het leven
115 II, 5,38 | leven van de kinderen van God. Wanneer zij zich verbazen
116 II, 5,38 | waarheid die tot ons komt van God in Christus, moeten gelovigen
117 II, 5,38 | Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het
118 II, 5,38 | reeds zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn,
119 II, 5,38 | met het feit dat het van God komt, maar ook met zijn
120 II, 5,38 | bestemming van gemeenschap met God in kennis van en liefde
121 II, 5,38 | de mens: “de glorie van God”, is, inderdaad, “de levende
122 II, 5,38 | bestaat in het zien van God”27. ~Onmiddellijke gevolgen
123 II, 5,38 | plaats”kan worden waar God zichzelf toont, waar we
124 II, 6,39 | leven van de mens komt van God; het is zijn gave, zijn
125 II, 6,39 | delen in zijn levensadem. God is, daarom, de enige Heer
126 II, 6,39 | mee doen zoals hij wil. God zelf maakt dit duidelijk
127 II, 6,39 | leven haar basis heeft in God en in zijn scheppende activiteit: “
128 II, 6,39 | scheppende activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar
129 II, 6,39 | zijn dus in de handen van God, in zijn macht: “In zijn
130 II, 6,39 | breng”(Dt 32,39). ~Maar God oefent deze macht niet uit
131 II, 6,39 | leven in de handen is van God, dan is het niet minder
132 II, 6,39 | liefdevol plan, waarmee God alle mogelijkheden van het
133 II, 6,39 | uit de zonde, bestrijdt: “God heeft de dood niet gemaakt
134 II, 6,40 | je gedaan?”(Gn 4,10), die God aan Kaïn stelt, nadat hij
135 II, 6,40 | eigendom en gave is van God de Schepper en Vader. ~Het
136 II, 6,41 | providentiële liefde van God: “Maar Ik zeg u: bemint
137 II, 7,42 | liefde ervoor is een taak die God aan iedere mens toevertrouwt,
138 II, 7,42 | heerschappij over de wereld: “God zegende hen en God zei tot
139 II, 7,42 | wereld: “God zegende hen en God zei tot hen: “Weest vruchtbaar
140 II, 7,42 | van de heerschappij die God de mens geeft. Het is in
141 II, 7,42 | Wijsheid duidelijk maakt: “God van de vaderen, Heer van
142 II, 7,42 | jegens de schepping die God ten dienste van zijn persoonlijke
143 II, 7,43 | mens in de heerschappij van God is ook zichtbaar in de specifieke
144 II, 7,43 | Vaticaans Concilie leert: “God zelf die gezegd heeft: “
145 II, 7,43 | het “scheppingswerk”van God, wil het Concilie duidelijk
146 II, 7,43 | vlees”(Gn 2,24) vormen, en God die zich tegenwoordig stelt.
147 II, 7,43 | bepaalde gelijkenis met God met zich: de afkomst van
148 II, 7,43 | we willen beklemtonen dat God zelf aanwezig is in het
149 II, 7,43 | voortplanting “op aarde”. God is inderdaad alleen de bron
150 II, 7,43 | het als volgt uit: “Toen God de mens schiep, maakte Hij
151 II, 7,43 | hem naar de gelijkenis met God. Man en vrouw schiep Hij
152 II, 7,43 | rol van medewerkers met God die zijn beeld doorgeeft
153 II, 7,43 | schepper van beelden van God”34. ~Zo worden man en vrouw,
154 II, 8,44 | te begeven. Het woord van God herhaalt vaak de oproep
155 II, 8,44 | denkwijze van het Volk van God. ~In het Oude Testament
156 II, 8,44 | zijn oorsprong vindt in God. Hiervan getuigen de vele
157 II, 8,44 | het leven en het werk van God de Schepper. ~“Vóór Ik je
158 II, 8,44 | pijn in, om het werk van God te overdenken die zijn lichaam
159 II, 8,44 | zij beleed haar geloof in God, bron en garantie van het
160 II, 8,45 | aanwezigheid van de Zoon van God onder de mensen voor het
161 II, 9,46 | mijn ouderdom en grijsheid, God, verlaat mij niet, opdat
162 II, 9,46 | 10); “Ik heb, Heer, mijn God, tot U in nood geroepen:
163 II, 10,48 | geboden van de Heer, uw God, die ik u heden geeft, als
164 II, 10,48 | geeft, als u de Heer uw God bemint, zijn wegen gaat
165 II, 10,48 | worden en zal de Heer uw God u zegenen in het land dat
166 II, 10,48 | volheid van de waarheid over God, mens en geschiedenis zullen
167 II, 10,48 | te leven. Door de wet van God te onderhouden kunnen wij
168 II, 10,49 | de wet van het leven die God heeft gegrift in het mensenhart
169 II, 10,49 | om een nieuwe relatie met God en met de broeders te vestigen,
170 II, 10,49 | zijn dankzij de gave van God die zuivert en vernieuwt: “
171 II, 11,50 | Waarlijk, deze man was Zoon van God!”(Mc 15,39). Aldus wordt
172 II, 11,50 | grootste zwakte, de Zoon van God geopenbaard als wie Hij
173 II, 11,50 | opwekking tot het leven zelf van God. ~Aan het Kruis wordt het
174 II, 11,51 | leven. ~Het is het leven van God zelf dat nu met de mens
175 II, 11,51 | wereld zei: “Ik ben gekomen, God, om uw wil te doen”(vgl.
176 II, 11,51 | dat komt uit de mond van God. Zo zullen we leren om niet
177 III, 1,52 | een delen in het leven van God zelf. Dit leven wordt bereikt
178 III, 1,52 | zowel een grote gave van God als een verplichtende taak
179 III, 1,52 | verantwoordelijkheidsgevoel. God eist van de mens, aan wie
180 III, 1,52 | van Nyssa schrijft dat “God de mens in staat stelde
181 III, 1,52 | oneindige heerschappij van God. Daarom moet de mens haar
182 III, 1,52 | onmetelijke wijsheid en liefde van God. En dat gebeurt door gehoorzaamheid
183 III, 2,53 | Schepper, zijn enige doel. God alleen is Heer van het leven
184 III, 2,53 | oorspronkelijk verbond tussen God en de mensheid na de reinigende
185 III, 2,53 | geweld (vgl.Gn 9,5-6). ~God verkondigt dat Hij de absolute
186 III, 2,53 | weerspiegelt. Juist daarom wordt God een strenge rechter van
187 III, 2,53 | 14; Jr 50,34; Ps 19,14). God laat zo zien dat Hij geen
188 III, 2,54 | gebod van de liefde tot God; “op deze twee geboden rust
189 III, 2,54 | bijzonder ernstige zonde. Alleen God is de Heer van het leven!
190 III, 2,56 | heilige Geest, het Volk van God vrijwaart van dwaling wanneer “
191 III, 2,56 | zedelijke wet, ja jegens God zelf, haar oorzaak en borg;
192 III, 3,59 | vanaf de moederschoot aan God toe die hem zoekt en kent,
193 III, 3,60 | het geschreven Woord van God, wordt doorgegeven door
194 III, 3,60 | aangezien zij tegen de wet van God ingaat die geschreven staat
195 III, 4,62 | fundamentele betrekking met God ontkent of verwaarloost,
196 III, 4,63 | uiteindelijke ontmoeting met God. ~Na deze onderscheidingen
197 III, 4,63 | schending is van de wet van God, aangezien zij het opzettelijk
198 III, 4,63 | het geschreven woord van God, is doorgegeven door de
199 III, 4,64 | van Eden: te worden als God die “goed en kwaad kent”(
200 III, 4,64 | kwaad kent”(vgl. Gn 3,5). God alleen heeft de macht over
201 III, 4,65 | om zich aan het plan van God toe te vertrouwen. ~De apostel
202 III, 4,65 | vrijwillige overgave aan God en uit vrije persoonlijke
203 III, 5 | Men moet God meer gehoorzamen dan de
204 III, 5,70 | zedelijke orde en komt van God. Als gevolg daarvan kunnen
205 III, 5,71 | krachtig gewaarschuwd dat men “God meer moet gehoorzamen dan
206 III, 5,71 | De vroedvrouwen vreesden God”(ibid.). Uit de gehoorzaamheid
207 III, 5,71 | de gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees
208 III, 5,72 | tegengesteld zijn aan de Wet van God. Want vanuit moreel gezichtspunt
209 III, 5,72 | onttrekken en volgens welke God zelf eenieder zal oordelen (
210 III, 6,73 | 75. De geboden van God leren ons de weg van het
211 III, 6,73 | gedragswijze met de liefde tot God en met de waarde van de
212 III, 6,73 | beslissing om zijn leven op God te oriënteren 99. ~Reeds
213 III, 6,74 | daden en in de waarheid aan God onze dankbaarheid voor het
214 III, 6,74 | liefdevolle trouw verzorgt. De God van het Verbond heeft overeenkomstig
215 III, 6,74 | vervuld was, heeft de Zoon van God, door mens te worden en
216 III, 6,75 | oorspronkelijke Verbond van God de Schepper met de mens
217 IV, 1 | bijzondere eigendom van God werd, opdat het zijn grote
218 IV, 1,77 | volk van het leven omdat God ons, in zijn onvoorwaardelijke
219 IV, 1,77 | bijzondere eigendom van God werd, opdat het zijn grote
220 IV, 1,77 | de mensgeworden Zoon van God is, die “door zijn dood
221 IV, 2,78 | Maar zo gauw hij door de God van het heelal is aangenomen
222 IV, 2,79 | van een levende en nabije God, die ons roept tot een diepe
223 IV, 3,81 | ontstaat uit het geloof in de God van het leven, die ieder
224 IV, 3,81 | oneindige gemeenschap met God de Schepper en Vader. ~
225 IV, 3,82 | leven vieren betekent de God van het leven vieren, de
226 IV, 3,82 | van het leven vieren, de God die het leven geeft: “We
227 IV, 3,82 | enkelingen en als gemeenschap, God onze Vader, die ons vormde
228 IV, 3,82 | wonderwerken van de schepping: God heeft aan de mens een bijna
229 IV, 3,82 | van de heerlijkheid van God: deze heerlijkheid vieren
230 IV, 3,82 | het teken van de levende God, en icoon van Jezus Christus. ~
231 IV, 3,84 | de geestelijke cultus die God welgevallig is (vgl. Rom
232 IV, 3,84 | lied van lof en dank aan God die ons deze gave heeft
233 IV, 3,84 | onverschrokken vertrouwen op God en op zijn liefde. Wij danken
234 IV, 4,85 | voor een persoon voor wie God ons verantwoordelijk heeft
235 IV, 4,88 | persoon ertoe op om tegenover God, tegenover zijn of haar
236 IV, 5,90 | Het gaat om de liefde van God zelf, waarvan de ouders
237 IV, 5,90 | leven - het geschenk van God - op gepaste wijze kan worden
238 IV, 5,90(119)| traditie juist als gave van God gepresenteerd (vgl. Ps 127,
239 IV, 5,90 | roeping te vervullen die God hun heeft gegeven. De zending
240 IV, 5,91 | gezinsgebed. Het gezin bidt om God te verheerlijken en te danken
241 IV, 6,94 | schepsel erkent, waaraan God het bestaan en het leven
242 IV, 6,94 | mysterie: het mysterie van God”127. Waar God wordt ontkend
243 IV, 6,94 | mysterie van God”127. Waar God wordt ontkend en mensen
244 IV, 6,98 | verlaten op de hulp van God, voor wie niets onmogelijk
245 IV, 6,98 | hartstochtelijke bede opstijgen tot God, de Schepper en Minnaar
246 Slot, 0,100 | ontmoeting plaats tussen God en de mens en begint de
247 Slot, 0,100 | aardse reis van de Zoon van God, een reis die zijn hoogtepunt
248 Slot, 1,101 | ontving en droeg, die is “God uit God”, “ware God uit
249 Slot, 1,101 | en droeg, die is “God uit God”, “ware God uit de ware
250 Slot, 1,101 | is “God uit God”, “ware God uit de ware God”. Maria
251 Slot, 1,101 | ware God uit de ware God”. Maria is waarlijk de Moeder
252 Slot, 1,101 | is waarlijk de Moeder van God, de Theotokos in wier moederschap
253 Slot, 1,101 | tot het moederschap die God aan iedere vrouw geeft,
254 Slot, 2,102 | laat zien - “de Zoon van God door zijn menswording zich
255 Slot, 3,103 | Vrees niet, Maria”en “Bij God is niets onmogelijk”(Lc
256 Slot, 3,103 | ingeweven in de zekerheid dat God haar nabij is en dat Hij
257 Slot, 3,103 | plaats”vindt, “bereid door God”(Apk 12,6) in de woestijn,
258 Slot, 3,103 | bouwen, ~tot lof en eer van God, de Schepper en Vriend van
|