Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | de Vader, waartoe iedere mens om niet wordt geroepen in
2 Inl, 0,1 | ogenblikken van het leven van de mens hun volle betekenis. ~
3 Inl, 1,2 | 2. De mens wordt uitgenodigd tot een
4 Inl, 1,2 | maar ook niet-gelovige mens omdat het aan zijn verwachtingen
5 Inl, 1,2 | onzekerheden kan iedere mens die oprecht openstaat voor
6 Inl, 1,2 | van het recht van iedere mens, dat dit belangrijkste goed
7 Inl, 1,2 | zin verenigd met iedere mens”2. In die heilsgebeurtenis
8 Inl, 1,2 | de liefde van God voor de mens, het Evangelie van de waardigheid
9 Inl, 1,2 | ondeelbare Blijde Boodschap. ~De mens zelf, de levende mens, vormt
10 Inl, 1,2 | De mens zelf, de levende mens, vormt daarom de eerste
11 Inl, 2,3 | 3. Iedere mens wordt, op grond van het
12 Inl, 2,3 | het Woord van God dat is mens geworden (vgl.Joh 1,14),
13 Inl, 2,3 | en van het leven van de mens wel een reactie oproepen
14 Inl, 2,3 | foltering, pogingen om de mens psychisch in zijn macht
15 I, 1,7 | geschapen(...) Ja, God heeft de mens geschapen voor een onvergankelijk
16 I, 1,7 | met de schepping van de mens naar het beeld van God voor
17 I, 1,7 | het hele bestaan van de mens werpt. ~De dood komt in
18 I, 1,8 | tegenover het kwaad: de mens is geenszins voorbestemd
19 I, 1,8 | en begeerlijkheid in de mens aanwezig zijn. De mens is
20 I, 1,8 | de mens aanwezig zijn. De mens is de vijand geworden van
21 I, 1,8 | snelheid: bij de opstand van de mens tegen God in het aards paradijs
22 I, 1,8 | dodelijke strijd van de ene mens tegen de andere. ~Na de
23 I, 1,8 | verantwoordelijkheid, die iedere mens heeft jegens de ander, te
24 I, 1,8 | verantwoordelijkheid van de mens voor zijn naaste af te schuiven:
25 I, 1,9 | het bijzonder dat van de mens, behoort alleen aan God
26 I, 1,9 | toe: daarom staat wie een mens naar het leven staat, in
27 I, 1,9 | verandert het leefmilieu van de mens ten diepste. Het land van
28 I, 2,10 | wordt ook gericht tot de mens van vandaag, opdat hij zich
29 I, 2,11 | te onderkennen van wat de mens is, van zijn rechten en
30 I, 2,12 | hoe dan ook verworpen. Een mens die, vanwege ziekte, handicap
31 I, 3,18 | tussen ontwikkeling en de mens zelf. Moeten we niet juist
32 I, 3,19 | met de verheffing van de mens als een wezen dat “niet
33 I, 3,19 | hoeder?”(Gn 4,9). Ja, iedere mens is zijns “broeders hoeder”,
34 I, 4 | zin voor God en voor de mens~
35 I, 4,21 | tragedie die de moderne mens ervaart: de verduistering
36 I, 4,21 | zin voor God en voor de mens, typisch voor een sociaal
37 I, 4,21 | neiging om de zin voor de mens te verliezen, voor zijn
38 I, 4,21 | inderdaad alleen voor God dat de mens zijn zonde kan toegeven
39 I, 4,22 | verdwenen is, ook de zin voor de mens bedreigd en vergiftigd,
40 I, 4,22 | schepping in duisternis”17. De mens is niet langer in staat
41 I, 4,22 | karakter van zijn “bestaan als mens”. Hij beschouwt het leven
42 I, 4,22 | louter een “ding”dat de mens opeist als zijn exclusieve
43 I, 4,22 | en manipulatie. ~Zo is de mens, m.b.t. het leven bij de
44 I, 4,22 | verwarring van de moderne mens, zowel wanneer dit verlies
45 I, 4,22 | regels als wanneer het de mens achterlaat in “angst”voor
46 I, 4,22 | niet bestond”verliest de mens niet alleen het zicht op
47 I, 4,23 | zin voor God en voor de mens leidt onvermijdelijk tot
48 I, 4,23 | groeit de bekoring in de mens om het recht op te eisen,
49 I, 4,24 | zin voor God en voor de mens met al haar verschillende
50 I, 4,24 | in het geweten van iedere mens afzonderlijk. Een nieuwe
51 I, 5,25 | Abel, de eerste onschuldige mens die vermoord zou worden,
52 I, 5,25 | openbaart, hoe kostbaar de mens is in Gods ogen en hoe onschatbaar
53 I, 5,25 | uitroepen: “Hoe kostbaar moet de mens zijn in de ogen van de Schepper
54 I, 5,25 | enige Zoon gaf”, opdat de mens “niet verloren zou gaan,
55 I, 5,25 | bloed van Christus aan de mens dat zijn grootheid, en daarmee
56 I, 5,28 | in de Zoon van God, die mens werd en onder ons woonde “
57 II, 1,29 | Thomas, en in hem aan iedere mens, met de woorden: “Ik ben
58 II, 1,29 | zelf van Jezus ontvangt de mens de mogelijkheid om de hele
59 II, 1,30 | feite het doel waarheen de mens, terwijl hij in deze wereld
60 II, 2,31 | universele smart van de mens, wanneer we mediteren over
61 II, 3 | naam van Jezus heeft deze mens sterk gemaakt”(Hnd 3,16):
62 II, 3,32 | betekenis van het leven van elke mens in zijn zedelijke en geestelijke
63 II, 3,32 | berouw”(Lc 5,31-32). ~Maar de mens die, zoals de rijke landeigenaar
64 II, 4 | schijnt op het gelaat van de mens~
65 II, 4,34 | een ervaringsfeit, en de mens wordt geroepen om de diepe
66 II, 4,34 | Het leven dat God aan de mens geeft is geheel verschillend
67 II, 4,34 | levende schepselen, omdat de mens, ofschoon gevormd uit het
68 II, 4,34 | omschrijving: “de levende mens is de heerlijkheid van God”23.
69 II, 4,34 | heerlijkheid van God”23. Aan de mens is een sublieme waardigheid
70 II, 4,34 | met zijn Schepper: in de mens schittert een weerspiegeling
71 II, 4,34 | eerste scheppingsverslag de mens plaatst als hoogtepunt van
72 II, 4,34 | schepping is bestemd voor de mens en alles is aan hem onderworpen: “
73 II, 4,34 | scheppingsverslag: “De Heer God nam de mens en plaatste hem in de tuin
74 II, 4,34 | bevestiging van het primaat van de mens over de dingen; deze zijn
75 II, 4,34 | wordt het verschil tussen de mens en andere schepselen vooral
76 II, 4,34 | alleen de schepping van de mens gepresenteerd wordt als
77 II, 4,34 | te creëren: “Laat ons de mens maken naar ons beeld en
78 II, 4,34 | 26). Het leven dat God de mens aanbiedt is een gave waardoor
79 II, 4,34 | bijzondere verbintenis tussen de mens en God. Ook het boek Sirach
80 II, 4,34 | alleen de heerschappij van de mens over de wereld, maar ook
81 II, 4,34 | meest eigen zijn aan de mens, zoals het verstand, het
82 II, 4,34 | zijn voorrechten van de mens geschapen naar het beeld
83 II, 4,34 | schepselen, is alleen de mens “in staat om zijn Schepper
84 II, 4,34 | Het leven dat God de mens geeft is veel meer dan een
85 II, 4,34 | overstijgt: “Want God schiep de mens voor de onbederflijkheid
86 II, 4,35 | goddelijke adem die in de mens wordt geblazen opdat hij
87 II, 4,35 | De Heer God vormde de mens uit het stof van de grond
88 II, 4,35 | neusgaten de levensadem en de mens werd een levend wezen”(Gn
89 II, 4,35 | eeuwige onvoldaanheid die de mens voelt zolang hij op aarde
90 II, 4,35 | van God draagt, wordt de mens van nature naar God toegetrokken.
91 II, 4,35 | hart hoort, moet iedere mens de woorden van waarheid
92 II, 4,35 | onvoldaanheid die het leven van de mens in Eden tekent zolang zijn
93 II, 4,35 | iedere persoon. ~“Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, en
94 II, 4,35 | denkt, en de zoon van de mens dat gij hem aanziet?”, vraagt
95 II, 4,35 | onmetelijkheid van het heelal is de mens erg klein; en toch openbaart
96 II, 4,35 | op in het gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper
97 II, 4,35 | van dat meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij
98 II, 4,35 | toen in de diepten van de mens. Hij rustte in de geest
99 II, 4,35 | rustte in de geest van de mens en in zijn denken; want
100 II, 4,35 | denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd met
101 II, 4,36 | Door de zonde rebelleert de mens tegen zijn Schepper en komt
102 II, 4,36 | gevolg daarvan vervormt de mens niet alleen het beeld van
103 II, 4,36 | de diepe betekenis van de mens verraden en wordt de gemeenschap
104 II, 4,36 | aangetast. ~In het leven van de mens licht Gods beeld opnieuw
105 II, 4,36 | Paulus stelt: “De eerste mens, Adam, werd een levend wezen,
106 II, 4,36 | schittering van dit beeld, kan de mens bevrijd worden van de slavernij
107 II, 5,37 | noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken waarvoor
108 II, 5,38 | zijn lofprijzing van de mens: “de glorie van God”, is,
109 II, 5,38 | inderdaad, “de levende mens”, maar “het leven van de
110 II, 5,38 | maar “het leven van de mens bestaat in het zien van
111 II, 5,38 | te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt van het
112 II, 6 | Van de mens zal ik rekenschap vragen
113 II, 6,39 | 39. Het leven van de mens komt van God; het is zijn
114 II, 6,39 | enige Heer van dit leven: de mens kan er niet mee doen zoals
115 II, 6,39 | zal ik het leven van de mens terugeisen”(Gn 9,5). De
116 II, 6,39 | activiteit: “Want God heeft de mens gemaakt naar zijn beeld”(
117 II, 6,39 | leven en de dood van de mens zijn dus in de handen van
118 II, 6,40 | van zijn geweten wordt de mens altijd herinnerd aan de
119 II, 7 | verantwoordelijkheid van de mens voor het leven~
120 II, 7,42 | taak die God aan iedere mens toevertrouwt, wanneer Hij
121 II, 7,42 | heerschappij die God de mens geeft. Het is in de eerste
122 II, 7,42 | in uw wijsheid hebt U de mens toegerust om te heersen
123 II, 7,42 | heerschappij die aan de mens gegeven is als een teken
124 II, 7,42 | vgl.Gn 2,15), heeft de mens een specifieke verantwoordelijkheid
125 II, 7,42 | Schepper gegeven heeft aan de mens, is geen absolute macht;
126 II, 7,43 | Een zekere deelname van de mens in de heerschappij van God
127 II, 7,43 | het is niet goed voor de mens, dat hij alleen blijft (
128 II, 7,43 | en die “in het begin de mens als man en vrouw gemaakt
129 II, 7,43 | heeft in zijn wil om de mens op een wel bijzondere wijze
130 II, 7,43 | volgt uit: “Toen God de mens schiep, maakte Hij hem naar
131 II, 7,43 | zegende hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen
132 II, 8,44 | bewerkt het ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de
133 II, 9,46 | Allerhoogste?”(Sir 41,3-4). De mens is niet baas over het leven,
134 II, 9,46 | momenten van ziekte wordt de mens uitgenodigd om hetzelfde
135 II, 9,46 | macht. Ziekte drijft zo”n mens niet tot wanhoop en doodsverlangen,
136 II, 9,47 | lichamelijk leven van de mens. Jezus werd, als “de dokter
137 II, 10,48 | gave aan te nemen is de mens verplicht het leven in deze
138 II, 10,48 | van de waarheid over God, mens en geschiedenis zullen de
139 II, 10,48 | stralen als een goed voor de mens in al zijn dimensies en
140 II, 10,48 | de eerste bekoring: “De mens leeft niet van brood alleen
141 II, 11,50 | in de bevrijding van de mens uit de diepste ziekte en
142 II, 11,50 | Ook vandaag ontmoet iedere mens wiens leven bedreigd wordt -
143 II, 11,51 | als die van iedere andere mens, maar het lijkt een toespeling
144 II, 11,51 | van God zelf dat nu met de mens gedeeld wordt. Het is het
145 II, 11,51 | de hoogste liefde: “Geen mens heeft groter liefde dan
146 III, 1,52 | vreugde en groei van de mens. Als zodanig vertegenwoordigt
147 III, 1,52 | verplichtende taak voor de mens. Het wekt verbazing en dankbaarheid
148 III, 1,52 | verantwoordelijkheidsgevoel. God eist van de mens, aan wie Hij het leven geeft
149 III, 1,52 | De Schepper wil dat de mens, als Gods levende beeld,
150 III, 1,52 | Nyssa schrijft dat “God de mens in staat stelde om zijn
151 III, 1,52 | aarde uit te voeren(...) De mens werd geschapen naar het
152 III, 1,52 | koningschap getekend is (...) De mens is een koning. Geschapen
153 III, 1,52 | schepselen (vgl.Gn 1,28), is de mens heer en meester niet alleen
154 III, 1,52(38)| De schepping van de mens, 4: PG 44,136. ~
155 III, 1,52 | van God. Daarom moet de mens haar uitoefenen met wijsheid
156 III, 1,52 | genadegave zijn, die aan de mens altijd en alleen voor zijn
157 III, 1,52 | zijn geluk te bereiken. ~De mens is, m.b.t. de dingen, maar
158 III, 1,52 | Het leven wordt aan de mens toevertrouwd als een schat
159 III, 1,52 | gebruikt moet worden. De mens moet er rekenschap van afleggen
160 III, 2 | Voor het leven van de mens vraag ik rekenschap van
161 III, 2 | vraag ik rekenschap van de mens”(Gn 9,5): het menselijk
162 III, 2,53 | is van het leven van de mens, die gevormd is naar zijn
163 III, 2,53 | leugen”(Joh 8,44). Door de mens te misleiden voert hij hem
164 III, 2,54 | verbazen: het doden van een mens, in wie Gods beeld aanwezig
165 III, 2,55 | tenslotte met Gods plan voor mens en maatschappij. Het eerste
166 III, 2,56 | verwijst naar de onschuldige mens. En dit te meer in het geval
167 III, 2,56 | ongeschreven wet die de mens, in het licht van het verstand,
168 III, 2,56 | beslissing om een onschuldige mens van het leven te beroven
169 III, 3,58 | levend wezen zal zijn: een mens, deze individuele mens met
170 III, 3,58 | een mens, deze individuele mens met zijn reeds wel-omlijnde,
171 III, 3,58 | worden gegarandeerd dat de mens moreel toekomt in zijn geestelijke
172 III, 3,59 | geboorte vooraf gaat. De mens behoort vanaf de moederschoot
173 III, 3,59 | geboorte. Hij is reeds de mens die hij later zal zijn”64. ~
174 III, 4,62 | van zijn bestaan staat de mens voor het geheim van de dood.
175 III, 4,62 | lijden. ~Bovendien meent de mens wanneer hij zijn fundamentele
176 III, 4,63 | inhoudt. Terwijl men de mens mag prijzen die vrijwillig
177 III, 4,64 | en sociale gegevens een mens ertoe brengen om een handeling
178 III, 4,64 | lijden; het doodt niet de mens wiens lijden onverdraaglijk
179 III, 4,64 | wijsheid en liefde. Wanneer de mens zich deze macht aanmatigt,
180 III, 4,64 | Zo wordt het leven van de mens die zwak is handen van een
181 III, 4,65 | zijn verlossende dood, de mens heeft bevrijd van de dood, “
182 III, 4,65 | toebehoren aan de Heer die de mens in iedere toestand omarmt: “
183 III, 4,65 | waarvan ook iedere lijdende mens geroepen wordt: “Nu verheug
184 III, 5,66 | maatschappij aan iedere mens volledige autonomie toegekend
185 III, 5,67 | verantwoordelijkheid van de mens aan de burgerlijke wet overgelaten. ~
186 III, 5,68 | als de “natuurwet”die de mens in het hart geschreven staat,
187 III, 5,68 | de waardigheid van iedere mens en van de solidariteit onder
188 III, 5,69 | grondrechten garanderen, die aan de mens als persoon eigen zijn en
189 III, 5,69 | leven van iedere onschuldige mens. Ook als het openbaar gezag
190 III, 5,69 | onaantastbare rechten van de mens te beschermen en ervoor
191 III, 5,69 | gezagsdragers de rechten van de mens niet erkennen of aantasten,
192 III, 5,70 | grondrecht op leven, dat iedere mens eigen is, niet erkent. Zo
193 III, 5,70 | wanneer de betreffende mens bij volledig bewustzijn
194 III, 5,70 | leidt tot het doden van de mens: de maatschappij bestaat
195 III, 5,72 | niet zo zou zijn, zou de mens gedwongen zijn een handeling
196 III, 6,73 | naar zijn beeld geschapen mens radicaal onverenigbaar is:
197 III, 6,73 | grens, waaronder de vrije mens niet kan dalen, en tegelijkertijd
198 III, 6,74 | Schepper heeft het leven van de mens aan zijn verantwoordelijke
199 III, 6,74 | ander, het leven van iedere mens aan de andere mens, zijn
200 III, 6,74 | iedere mens aan de andere mens, zijn broeder, toevertrouwd.
201 III, 6,74 | heeft de Zoon van God, door mens te worden en zijn leven
202 III, 6,74 | worden en zijn leven voor de mens te geven, laten zien welke
203 III, 6,74 | toevertrouwen van de ene mens aan de andere, nieuwe inhoud
204 III, 6,75 | doden”, verplicht iedere mens ook in zijn meest positieve
205 III, 6,75 | van God de Schepper met de mens in het morele bewustzijn
206 III, 6,75 | morele bewustzijn van iedere mens; het kan door allen in het
207 III, 6,75 | wil (vgl. Joh 3,8), iedere mens die in deze wereld leeft,
208 IV, 1,77 | verantwoordelijkheid van iedere mens niet op, en maakt die ook
209 IV, 1,77 | Heer gericht om voor iedere mens “tot naaste te worden”: “
210 IV, 2,78 | Geest werd dit leven aan de mens meegedeeld. Wanneer het
211 IV, 2,78 | verstaat dit aldus: “De mens is als wezen van geen belang;
212 IV, 2,78 | deze genade prijzen? De mens overstijgt zijn natuur:
213 IV, 2,78 | onvergelijkelijke waardigheid van de mens spoort ons aan om deze boodschap
214 IV, 2,79 | betrekking van Jezus met iedere mens, die het mogelijk maakt
215 IV, 2,79 | onaanvaardbaar; het leven van de mens mag niet alleen niet gedood
216 IV, 2,79 | ten dienste staan van de mens en zijn volledige ontwikkeling.
217 IV, 2,80 | volledig openbaart wat de mens is en wat de betekenis is
218 IV, 2,80 | leer over het leven van de mens verwerpen, merken wij dat
219 IV, 3,81 | de Schepper en in iedere mens zijn levend beeld ontdekt (
220 IV, 3,81 | het aanschijn van iedere mens een oproep tot ontmoeting,
221 IV, 3,81 | van de roeping van iedere mens om in Christus deel te hebben
222 IV, 3,82 | overvloedige liefde voor de mens en roept het ons naar zich
223 IV, 3,82 | worden”110. Meer nog, de mens en zijn leven verschijnen
224 IV, 3,82 | schepping: God heeft aan de mens een bijna goddelijke waardigheid
225 IV, 3,82 | geboren wordt en in iedere mens die leeft of sterft, herkennen
226 IV, 3,82 | heerlijkheid vieren wij in iedere mens, het teken van de levende
227 IV, 4,85 | ons tot naasten van iedere mens te maken (vgl. Lc 10,29-
228 IV, 4,85 | ongeboren kind, de oude mens in zijn lijden of onmiddellijk
229 IV, 6,94 | wezenlijk belang dat de mens de oorspronkelijke vanzelfsprekendheid
230 IV, 6,94 | afhankelijkheid te aanvaarden kan de mens zijn vrijheid ten volle
231 IV, 6,94 | de houding staat, die de mens aanneemt tegenover het grootste
232 IV, 6,95 | individuen helpt om steeds meer mens te zijn, hen steeds dieper
233 IV, 6,97 | zodanig houding t.o.v. de mens, niet alleen haar eigen
234 IV, 6,97 | eigen kind, maar iedere mens, dat daardoor de hele persoonlijkheid
235 IV, 7,99 | om een waarde die iedere mens ook in het licht van het
236 Slot, 0,100 | plaats tussen God en de mens en begint de aardse reis
|