Chapter, Paragraph, Number
1 Inl, 0,1 | vgl. Joh 16,21). ~Wanneer Hij de kern van zijn verlossende
2 Inl, 0,1 | 10,10). In waarheid duidt Hij op dat “nieuwe”en “eeuwige”
3 Inl, 1,2 | wereld heeft liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft
4 Inl, 3,5 | mede-broeder met het verzoek dat hij, in de geest van de bisschoppelijke
5 I, 1,7 | de dood niet gemaakt en Hij vindt geen vreugde in de
6 I, 1,7 | leven, maar alles heeft Hij voor het zijn geschapen(...)
7 I, 1,7 | onvergankelijk leven; en Hij heeft hem gemaakt tot een
8 I, 1,7 | afgunst van de duivel; en hij wordt ondergaan door diens
9 I, 1,7 | vgl.Gn 2,17;3,17-19). En hij komt er binnen op een gewelddadige
10 I, 1,7 | Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. ~Een wilde woede
11 I, 1,7 | Waar is uw broer Abel?”Hij antwoordde: “Ik weet het
12 I, 1,7 | broeders hoeder?”Toen zei Hij: “Wat hebt gij gedaan? Hoor,
13 I, 1,7 | het ook is die Kaïn doodt, hij zal het zevenvoudig boeten!”
14 I, 1,8 | verkiest boven dat van Kaïn; hij geeft echter duidelijk aan
15 I, 1,8 | echter duidelijk aan dat Hij, ook al kiest Hij de gave
16 I, 1,8 | aan dat Hij, ook al kiest Hij de gave van Abel, het gesprek
17 I, 1,8 | met Kaïn niet afbreekt. Hij waarschuwt hem, herinnert
18 I, 1,8 | voorbestemd tot het kwaad. Zeker: hij wordt, zoals reeds Adam,
19 I, 1,8 | vrij tegenover de zonde. Hij kan en moet die beheersen: “
20 I, 1,9 | bloed van de vermoorde dat Hij gerechtigheid laat wedervaren (
21 I, 1,9 | weigert (vgl.Gn 4,11-12). En hij wordt gestraft: hij zal
22 I, 1,9 | En hij wordt gestraft: hij zal wonen in de steppe en
23 I, 1,9 | altijd barmhartig ook wanneer Hij straft, “gaf Kaïn een merkteken,
24 I, 1,9 | hem doden zou”(Gn 4,15). Hij gaf hem dus een teken, niet
25 I, 1,9 | andere woonplaats, omdat hij van de menselijke mildheid
26 I, 1,9 | met een moord, aangezien hij liever het berouw van de
27 I, 2,10 | mens van vandaag, opdat hij zich bewust wordt van de
28 I, 2,10 | voortdurend getekend wordt; opdat hij op zoek gaat naar de talrijke
29 I, 2,10 | hebben en bevorderen; opdat hij uiterst ernstig nadenkt
30 I, 4,21 | zijn schuld “groter is dan hij kan dragen”, dan is dat
31 I, 4,21 | dragen”, dan is dat omdat hij zich ervan bewust is in
32 I, 4,21 | ervaring van David die, nadat “hij kwaad had bedreven in de
33 I, 4,22 | andere aardse schepsels; hij beschouwt zichzelf louter
34 I, 4,22 | zijn fysieke staat wordt hij in zekere zin teruggebracht
35 I, 4,22 | een ding”, en begrijpt hij niet meer het “transcendente”
36 I, 4,22 | zijn “bestaan als mens”. Hij beschouwt het leven niet
37 I, 4,22 | bestaan te stellen doordat hij in echte vrijheid deze cruciale
38 I, 4,22 | zijn eigen “zijn”aanneemt. Hij is alleen maar bekommerd
39 I, 4,22 | om het “maken”en, terwijl hij alle mogelijke technologieën
40 I, 4,22 | technologieën gebruikt, houdt hij zich bezig met het programmeren,
41 I, 4,23 | gewaardeerd, niet om wat hij “is”, maar om wat hij “heeft,
42 I, 4,23 | wat hij “is”, maar om wat hij “heeft, doet en presteert”.
43 I, 5,25 | het zinloze bestaan dat hij van uw vaderen had geërfd.
44 I, 5,25 | kennen en waarderen, en kan hij met steeds nieuwe en dankbare
45 I, 5,25 | ogen van de Schepper als hij “een zo verheven Verlosser
46 I, 5,28 | Deuteronomium gaat nog dieper, want hij dwingt ons een keuze te
47 II, 1,29 | Op deze wijze ook sprak Hij over zichzelf tot Martha,
48 II, 1,29 | gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; wie leeft en
49 II, 1,29 | uit deze “bron”ontvangt hij in het bijzonder het vermogen
50 II, 1,30 | waarheen de mens, terwijl hij in deze wereld leeft, gedreven
51 II, 2 | kracht en mijn lied, en Hij is mijn redding geworden”(
52 II, 2,31 | steeds grotere helderheid: “Hij heeft alles goedgemaakt
53 II, 2,31 | op zijn tijd; ook heeft Hij eeuwigheid gelegd in hun
54 II, 3,32 | in de parabel, denkt dat hij zijn leven zeker kan stellen
55 II, 3,32 | Het leven ontglipt hem, en hij zal het zeer spoedig verliezen,
56 II, 3,33 | moment van zijn geboorte. Hij wordt zeker aanvaard door
57 II, 3,33 | volledig aanvaard: “Ofschoon Hij rijk was, werd hij voor
58 II, 3,33 | Ofschoon Hij rijk was, werd hij voor ons arm, opdat gij
59 II, 3,33 | hoogtepunt van het Kruis: “Hij vernederde zichzelf en werd
60 II, 3,33 | Vader. Aan het kruis kan Hij dan ook tot Hem zeggen: “
61 II, 4,34 | verantwoordelijke zorg, terwijl hij om geen enkele reden onderworpen
62 II, 4,34 | kwaad, en de vrije wil: “Hij vulde hen met kennis en
63 II, 4,35 | mens wordt geblazen opdat hij tot leven komt: “De Heer
64 II, 4,35 | die de mens voelt zolang hij op aarde is. Omdat hij door
65 II, 4,35 | zolang hij op aarde is. Omdat hij door God gemaakt is, en
66 II, 4,35 | God toegetrokken. Wanneer hij de diepe verlangens van
67 II, 4,35 | rustte van ieder werk dat Hij had ondernomen in de wereld.
68 II, 4,35 | ondernomen in de wereld. Hij rustte toen in de diepten
69 II, 4,35 | de diepten van de mens. Hij rustte in de geest van de
70 II, 4,35 | en in zijn denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd
71 II, 4,36 | eigen persoon, maar wordt hij ook verleid tot beledigingen
72 II, 4,36 | daartegen in andere, doordat hij gemeenschapsbetrekkingen
73 II, 4,36 | onzichtbare God”(Kol 1,15), “Hij weerspiegelt de heerlijkheid
74 II, 4,36 | van zijn wezen”(Heb 1,3). Hij is het volmaakte beeld van
75 II, 5,37 | geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van
76 II, 5,37 | Jezus naar dit leven dat Hij kwam brengen eenvoudig als
77 II, 5,37 | als naar “het leven”; en Hij presenteert het geboren
78 II, 5,37 | opnieuw geboren wordt, kan hij het rijk van God niet zien”(
79 II, 5,37 | doel van Jezus”zending: Hij “is degene die neerdaalt
80 II, 5,37 | wereld”(Joh 6,33), aldus kan Hij naar waarheid zeggen: “Wie
81 II, 5,37 | vgl.Joh 3,15; 6,40), omdat hij van Jezus de enige woorden
82 II, 5,37 | bent”(Joh 6,68-69). Wanneer Hij tot de Vader spreekt in
83 II, 5,38 | Maar wij weten dat, wanneer Hij verschijnt, wij als Hij
84 II, 5,38 | Hij verschijnt, wij als Hij zullen zijn, want wij zullen
85 II, 5,38 | wij zullen Hem zien zoals Hij is”(1 Joh 3,1-2). ~Hier
86 II, 6,39 | kan er niet mee doen zoals hij wil. God zelf maakt dit
87 II, 6,39 | dood en brengt tot leven, Hij brengt tot diep in de hel
88 II, 6,39 | doet opstaan”(1Sam 2,6). Hij alleen kan zeggen: “Ik ben
89 II, 6,39 | de dood niet gemaakt en Hij verheugt zich niet over
90 II, 6,39 | dood van de levenden. Want Hij schiep alle dingen opdat
91 II, 6,40 | God aan Kaïn stelt, nadat hij zijn broer Abel heeft gedood,
92 II, 6,41 | te verwerven?”, antwoordt Hij: “Als je het leven wilt
93 II, 6,41 | geboden”(Mt 19,16.17). En Hij haalt als eerste van deze
94 II, 6,41 | van uw hemelse Vader: want Hij laat de zon opgaan over
95 II, 7,42 | mens toevertrouwt, wanneer Hij hem roept als zijn levende
96 II, 7,42 | jegens de omgeving waarin hij leeft, jegens de schepping
97 II, 7,43 | niet goed voor de mens, dat hij alleen blijft (Gn 2,18)
98 II, 7,43 | geheel andere wijze dan Hij aanwezig is bij alle andere
99 II, 7,43 | welsprekende taal wanneer hij vertelt van de vreugdevolle
100 II, 7,43 | God de mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis met
101 II, 7,43 | God. Man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen
102 II, 7,43 | vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen
103 II, 7,43 | honderddertig jaar was, werd hij de vader van een zoon die
104 II, 7,43 | hieraan herinnert wanneer Hij vraagt om bemind en gediend
105 II, 8,44 | zijn moeder. Hier vindt hij reden om vertrouwen te hebben,
106 II, 8,44 | vertrouwen te hebben, en hij spreekt zijn geloof uit
107 II, 8,44 | Schepper van de wereld: Hij bewerkt het ontstaan van
108 II, 8,44 | ontstaan van de mens, zoals Hij van alles de oorsprong is.
109 II, 8,44 | van alles de oorsprong is. Hij zal jullie in zijn barmhartigheid
110 II, 8,45 | volgens de natuurlijke orde, hij sprong op vanwege het mysterie;
111 II, 8,45 | merkte de komst van Maria, hij die van de Heer; de vrouw
112 II, 8,45 | heilige Geest, vervulde hij zijn moeder ook met Hem”36. ~
113 II, 9,46 | leven”(vgl.Ps 16,5), en hij aanvaardt van Hem ook het
114 II, 9,46 | dood. In leven en dood moet hij zich helemaal toevertrouwen
115 II, 9,46 | schijnt te verdwijnen - zodat hij uitroept: “Mijn dagen zijn
116 II, 9,47 | met de vele genezingen die Hij deed, toont ook Gods grote
117 II, 9,47 | Js 61,1). Later, wanneer Hij zijn leerlingen de wereld
118 II, 9,47 | de wereld instuurt, geeft Hij hun een zending, waarin
119 II, 9,47 | niet zichzelf te offeren en Hij maakt van zijn leven vrijelijk
120 II, 9,47 | zijn aardse leven omdat hij trouw getuigt van de verrijzenis
121 II, 9,47 | verrijzenis van de Heer: hij volgt in de voetstappen
122 II, 10,49 | in het mensenhart en die Hij op de Sinaï aan het volk
123 II, 10,49 | stad Jeruzalem, waarbij hij het “de bloedige stad”(22,
124 II, 10,49 | Dienaar van de Heer: “Wanneer hij zichzelf tot een offer maakt
125 II, 10,49 | maakt voor de zonde, zal hij nakomelingen zien en lang
126 II, 10,49 | het doorstane lijden zal hij het licht mogen zien”(Js
127 II, 11,50 | opgeheven van de aarde. Hij ervaart het ogenblik van
128 II, 11,50 | handen van zijn moordenaars: hij wordt bespot, uitgelachen,
129 II, 11,50 | middenin dit alles, toen hij Hem “op deze wijze zag sterven”,
130 II, 11,50 | God geopenbaard als wie Hij is: aan het Kruis wordt
131 II, 11,50 | ieder menselijk wezen. Voor Hij sterft bidt Jezus tot de
132 II, 11,50 | is - de zekere hoop dat hij bevrijding en verlossing
133 II, 11,51 | de azijn genomen had, zei Hij: “Het is volbracht”. Daarop
134 II, 11,51 | volbracht”. Daarop boog Hij het hoofd en gaf de geest”(
135 II, 11,51 | van de Geest”, waardoor Hij ons van de dood vrijkoopt
136 II, 11,51 | gehoorzaam aan de Vader en omdat Hij “de zijnen had bemind die
137 II, 11,51 | de wereld waren, beminde Hij hen tot het einde”(Joh 13,
138 II, 11,51 | helemaal voor hen te geven. ~Hij die gekomen was “niet om
139 II, 11,51 | groter liefde dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn
140 II, 11,51 | vrienden”(Joh 15,13). En Hij stierf voor ons terwijl
141 III, 1,52 | Hem vraagt welke geboden hij moet onderhouden: “Jezus
142 III, 1,52 | eist van de mens, aan wie Hij het leven geeft dat hij
143 III, 1,52 | Hij het leven geeft dat hij dat bemint, eerbiedigt en
144 III, 1,52 | uit te oefenen, ontving hij een gelijkenis met de Koning
145 III, 1,52 | de Koning van het heelal; hij is het levende beeld dat
146 III, 1,52 | zekere zin over het leven dat hij heeft ontvangen en dat hij
147 III, 1,52 | hij heeft ontvangen en dat hij kan doorgeven door voortplanting,
148 III, 1,52 | onvergelijkelijke grootheid - hij is de “uitvoerder van Gods
149 III, 1,52 | toevertrouwd als een schat die hij niet mag vergooien, als
150 III, 2,53 | 6). ~God verkondigt dat Hij de absolute Heer is van
151 III, 2,53 | gehele menselijke samenleven. Hij is de “goel”, de verdediger
152 III, 2,53 | 14). God laat zo zien dat Hij geen vreugde schept in de
153 III, 2,53 | de wereld (vgl.W 2,24). Hij die “een moordenaar van
154 III, 2,53 | mens te misleiden voert hij hem naar zijn doelen van
155 III, 2,54 | blootstelde, zelfs al is hij misschien niet moreel verantwoordelijk
156 III, 2,54 | moreel verantwoordelijk omdat hij niet “bij zijn verstand”
157 III, 3,57 | het opzettelijk doden, hoe hij ook wordt uitgevoerd, van
158 III, 3,58 | zijn, niet alleen wanneer hij de moeder rechtstreeks tot
159 III, 3,58 | drijft, maar ook wanneer hij haar indirect aanmoedigt
160 III, 3,58 | enkelingen en de schade die hij hen toebrengt, en krijgt
161 III, 3,58 | hen toebrengt, en krijgt hij een sterk sociale dimensie.
162 III, 3,59 | die naar hem kijkt wanneer hij een nietig vormloos embryo
163 III, 3,59 | brengt bij de geboorte. Hij is reeds de mens die hij
164 III, 3,59 | Hij is reeds de mens die hij later zal zijn”64. ~Door
165 III, 4,62 | absurd”beschouwd wanneer hij plotseling een leven onderbreekt
166 III, 4,62 | interessante ervaringen. Maar hij wordt een “rechtmatige bevrijding”
167 III, 4,62 | Bovendien meent de mens wanneer hij zijn fundamentele betrekking
168 III, 4,62 | ontkent of verwaarloost, dat hij voor zichzelf maatstaf en
169 III, 4,62 | garandeert om te beslissen wat hij met zijn leven doet in volle
170 III, 4,63 | helder te blijven, en, zo hij een gelovige is, bewust
171 III, 4,64 | ander te doden: zelfs als hij het zou willen, ja erom
172 III, 4,64 | willen, ja erom vraagt omdat hij, zwevend tussen leven en
173 III, 4,64 | 2Kon 5,7; 1Sam 2,6). Maar Hij oefent die macht alleen
174 III, 4,64 | deze macht aanmatigt, omdat hij de slaaf is van een dwaze
175 III, 4,64 | zelfzuchtige denkwijze, gebruikt hij haar onvermijdelijk voor
176 III, 4,65 | juiste oordeel, wanneer hij zich vol huiver afkeert
177 III, 4,65 | zaad van eeuwigheid dat hij in zich draagt niet is ontstaan
178 III, 4,65 | gekruisigde Christus zelf. Zo gaat hij die zijn lijden leeft in
179 III, 4,65 | 3,10; 1Pe 2,21) en heeft hij ten diepste deel aan zijn
180 III, 5,66 | gevolg daarvan zou alleen hij over de moraliteit van zijn
181 III, 5,67 | en voorschrijft, maar dat hij zich ertoe beperkt de vrijheid
182 III, 6,73 | het het minimum aan dat hij moet eerbiedigen en waarvan
183 III, 6,73 | moet eerbiedigen en waarvan hij moet uitgaan om ontelbare
184 III, 6,73 | van doen hebben) begint hij zijn hoofd op te heffen
185 III, 6,74 | te beschikken, maar opdat hij het met wijsheid bewaart
186 III, 6,75 | beminnen en te bevorderen. “Hij heeft zijn leven voor ons
187 III, 6,75 | waargenomen worden, die, omdat Hij waait waar Hij wil (vgl.
188 III, 6,75 | die, omdat Hij waait waar Hij wil (vgl. Joh 3,8), iedere
189 IV, 2,78 | verkondiging van het leven. Want Hij is “het Woord des levens”(
190 IV, 2,78 | gemaakt”(1Joh 1,2); ja, Hij is zelf “het eeuwige leven,
191 IV, 2,78 | als wezen van geen belang; hij is stof, gras, ijdelheid.
192 IV, 2,78 | ijdelheid. Maar zo gauw hij door de God van het heelal
193 IV, 2,78 | aangenomen als kind, wordt hij deel van de familie van
194 IV, 2,78 | natuur: van sterfelijk wordt hij onsterfelijk; van vergankelijk
195 IV, 2,78 | van vergankelijk wordt hij onvergankelijk; van voorbijgaand
196 IV, 2,78 | van voorbijgaand wordt hij eeuwig; van menselijke wordt
197 IV, 2,78 | eeuwig; van menselijke wordt hij goddelijk”105. ~Dankbaarheid
198 IV, 3,81 | zijn diepte ziet, doordat hij er de dimensies van belangeloosheid,
199 IV, 3,84 | u Hem hebt gegeven. Want Hij heeft de macht u het leven
200 IV, 4 | wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de
201 IV, 4,85 | wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de
202 IV, 4,85 | mogen wij Jezus dienen zoals Hij zelf gezegd heeft: “Wat
203 IV, 4,87 | iedere dokter verlangt dat hij of zij zichzelf verbindt
204 IV, 4,88 | afwijzen, vooral wanneer hij of zij een mandaat heeft
205 IV, 5,90 | het nodig heeft, krijgt hij intensievere en aandachtiger
206 IV, 6,94 | ontkend en mensen leven alsof Hij niet bestond, of waar men
207 IV, 6,97 | voorkomt uit het feit dat hij een persoon is en niet uit
208 Slot, 1,101| leerling naast haar, zei Hij tot zijn moeder: “Vrouw,
209 Slot, 2,102| heimelijke weerstand die voordat hij de leerlingen van Jezus
210 Slot, 2,102| zichzelf voortdurend, en treedt Hij in gemeenschap met ons,
211 Slot, 3,103| God haar nabij is en dat Hij haar met zijn welwillende
212 Slot, 3,103| schittering van de Verrijzenis. Hij alleen beheerst alle gebeurtenissen
213 Slot, 3,103| gebeurtenissen van de geschiedenis: hij open haar “zegels”(vgl.
|