|
104.
In het Boek van de Openbaring wordt het “grote teken”van de “vrouw”(12,1)
vergezeld door “een ander teken dat aan de hemel verscheen”: “een grote, rode
draak”(12,3), die Satan belichaamt, de persoonlijke macht van het kwaad, alsook
alle machten van het kwaad die in de geschiedenis werken en de zending van de
Kerk tegenwerken.
Ook hier werpt Maria licht op de
Gemeenschap van Gelovigen. De vijandschap van de machten van het kwaad is in
feite een heimelijke weerstand die voordat hij de leerlingen van Jezus treft,
gericht wordt tegen zijn Moeder. Om het leven van haar Zoon te redden van hen
die Hem vrezen als een gevaarlijke bedreiging, moet Maria met Jozef en het Kind
naar Egypte vluchten (vgl. Mt 2,13-15).
Zo helpt Maria de Kerk te beseffen dat
het leven altijd in het middelpunt van een grote strijd is tussen goed en
kwaad, tussen licht en duisternis. De draak wenst “het kind zodra het geboren
is”(Apk 12,4) te verslinden, een afbeelding van Christus, die Maria ter wereld
bracht “in de volheid van de tijd”(Gal 4,4) en die de Kerk onophoudelijk moet
aanbieden aan de mensen in elk tijdperk. Maar in zekere zin is dat kind ook een
beeld van iedere persoon, ieder kind, speciaal iedere hulpeloze baby, wiens
leven bedreigd wordt, omdat - zoals het Concilie ons nog eens laat zien - “de
Zoon van God door zijn menswording zich in zekere zin heeft verenigd met iedere
persoon”140. Juist in het “vlees”van iedere persoon,
openbaart Christus zichzelf voortdurend, en treedt Hij in gemeenschap met ons,
zodat de afwijzing van het menselijk leven, in welke vorm dan ook, in feite een
afwijzing van Christus is. Dit is de fascinerende en tegelijk veeleisende
waarheid die Christus ons openbaart en die zijn Kerk onvermoeibaar blijft
verkondigen: “Wie zulk een kind in mijn Naam opneemt, neemt Mij op”(Mt 18,5);
“Voorwaar, Ik zeg u, wat u gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn
broeders, hebt u voor Mij gedaan”(Mt 25,40).
|