|
2. De mens wordt
uitgenodigd tot een volheid van leven die de dimensies van zijn aardse bestaan
ver achter zich laat, omdat het bestaat in de deelname aan het leven van God
zelf.
De verhevenheid van die
bovennatuurlijke roeping maakt de grootheid en de kostbaarheid
van het menselijk leven zichtbaar, ook in zijn tijdelijk-aardse fase. Want het
leven in de tijd is de basisvoorwaarde, het beginmoment en wezenlijk deel van
het ene proces van het menselijk bestaan als geheel. Een proces dat, onverwacht
en onverdiend, verlicht wordt door de belofte en vernieuwd door de gave van het
goddelijk leven, dat zijn volle vervulling zal bereiken in de eeuwigheid (vgl.1
Joh 3,1-2). Tegelijkertijd onderstreept juist die bovennatuurlijke roeping
de betrekkelijkheid van het aardse leven van man en vrouw. Het is immers
helemaal niet de “laatste”maar de “voorlaatste”werkelijkheid; het is dus een heilige
werkelijkheid die aan ons is toevertrouwd opdat wij haar hoeden met
verantwoordelijkheidsbesef en haar tot volmaaktheid brengen in de liefde en in
de gave van onszelf aan God en aan onze broeders.
De Kerk weet dat dit Evangelie van
het leven, dat haar door de Heer werd toevertrouwd 1,
een diepe en overtuigende weerklank vindt in het hart van iedere gelovige, maar
ook niet-gelovige mens omdat het aan zijn verwachtingen die het toch oneindig
overtreft, op verrassende wijze beantwoordt. Zelfs in moeilijkheden en
onzekerheden kan iedere mens die oprecht openstaat voor de waarheid en het
goede, met het licht van het verstand en niet zonder de verborgen invloed van
de genade, komen tot de erkenning, in de natuurlijke wet die in zijn hart
geschreven is (vgl.Rom 2,14-15), van de heilige waarde van het menselijk
leven vanaf het eerste begin tot aan zijn einde, en tot de aanvaarding van het
recht van iedere mens, dat dit belangrijkste goed van hem in de hoogste mate
gerespecteerd wordt. Op de erkenning van dat recht berust de menselijke
samenleving en de politieke gemeenschap.
Dat recht moeten vooral degenen die in
Christus geloven verdedigen en bevorderen, zich bewust van de wonderlijke
waarheid waaraan Vaticanum II herinnert: “Met de menswording heeft de Zoon van
God zich in zekere zin verenigd met iedere mens”2. In die
heilsgebeurtenis openbaart zich in feite niet alleen de grenzeloze liefde van
God die “zozeer de wereld heeft liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft
gegeven”(Joh 3,16) maar ook de onvergelijkelijke waarde van iedere
menselijke persoon.
En terwijl Kerk voortdurend het
mysterie van de Verlossing onderzoekt, neemt zij die waarde met steeds nieuwe
verbazing waar 3 en weet zij zich geroepen om aan de mensen
van alle tijden die “blijde boodschap”, bron van onoverwinnelijke hoop en van
echte vreugde voor elk tijdperk van de geschiedenis, te verkondigen. Het
Evangelie van de liefde van God voor de mens, het Evangelie van de waardigheid
van de persoon en het Evangelie van het leven zijn één ondeelbare
Blijde Boodschap.
De mens zelf, de levende mens, vormt
daarom de eerste en fundamentele weg van de Kerk 4.
|